|
Grazend vee in de hoogstamboomgaard.
Fruitbomen en fruit in
vroeger tijd
Wij staan er eigenlijk zelden bij stil, dat er een tijd is geweest, dat er in
ons land geen appel- of perenbomen groeiden en dat ook kersenbomen, pruimenbomen
of perzikbomen hier nog onbekend waren. Het waren de Romeinen die de fruitteelt
naar onze streken brachten. Zij bezaten de specialistische kennis die nodig is
voor het kweken van fruitbomen. Immers, fruitbomen vermeerderen zich niet vanzelf
door zaad, maar via enten, een techniek waarbij takken van fruitdragende bomen
worden geënt op onderstammen van andere boomsoorten. Eeuwen later, rond 800,
was het Karel de Grote die de fruitteelt stimuleerde. Naast appels, peren, perziken
en pruimen werden er in de boomgaarden in zijn rijk ook hazelnoten, walnoten,
tamme kastanjes, kweeën, mispels en moerbeien gekweekt. Aanvankelijk was
het nuttigen van fruit een luxe genoegen, voorbehouden aan welgestelden. De fruitbomen
groeiden in betrekkelijk kleine boomgaarden die men hoofdzakelijk aantrof bij
kastelen en kloosters.
Vanaf het eind van de middeleeuwen kwam er bij steeds meer bevolkingsgroepen vraag
naar fruit. En daarmee nam het aantal fruitbomen toe. Naast de kleine boomgaarden
waar fruit voor eigen gebruik groeide, ontstonden er grotere waar men zich toelegde
op het kweken van fruit voor de stadsbewoners. Op de markten in de steden werden
plekken gereserveerd voor appelverkopers en her en der kwamen zelfs speciale appelmarkten
(Amsterdam, Amersfoort). Overigens was niet elke plek even geschikt voor het aanleggen
van een kleinere of grotere boomgaard. De meeste treft men van oudsher aan op
de wat hoger gelegen gronden, vaak met een enigszins zanderige samenstelling.
Dergelijke gronden waren o.a. volop te vinden in de Betuwe, langs de rivieroevers,
maar ook in Zuid-Limburg.
In sommige streken werd het gewoonte om fruitbomen langs de wegen te planten,
bij voorbeeld in de Beemster.
Regionale verscheidenheid
Alle boomgaarden - men spreekt ook wel van bongerds - waren eertijds hoogstamfruitbomen.
Maar er was geen sprake van eenvormigheid. Integendeel, elke streek kende zijn
eigen soorten fruitbomen. Talrijk waren de 'streek-appels' zoals de Limburgse
bellefleur, de Brabantse Bellefleur, de Groninger Kroon en de Schellinkhouter
(een appelsoort uit West-Friesland). Ook andere fruitsoorten kenden allerlei streekvarianten
zoals de (hier en daar nog gekweekte) Zwijndrechtse wijnpeer, de Varikse zwarte
(kers) en de Zeeuwse zoete morel of de (verdwenen) Wijkerkersen uit Beverwijk.
Ook de hoofdaanleg der bongerds verschilde per streek. Zo was er in de ene streek
meer sprake van wat grotere boomgaarden, terwijl elders de percelen waarop men
fruitbomen plantte kleiner waren. Met name in de lage, waterrijke gebieden zoals
Noord-Holland werden de boomgaarden vaak door een sloot omgeven. Het was gebruikelijk
om in een bongerd niet alleen verschillende soorten fruit tegelijk te kweken,
maar ook van elk soort verschillende rassen. Bij voorbeeld een paar verschillende
appel- en perenrassen, wat kersen en pruimen. De bomen stonden op enige afstand
van elkaar en de bodem was vaak met gras begroeid, zodat men er vee kon weiden.
Graasden er paarden, dan waren de stammen van de fruitbomen hoog, vaak meer dan
twee meter, liep er kleinvee rond, dan kon volstaan worden met iets kortere stammen
(ca. 1.80 mtr). In sommige gebieden werden onder de hoogstambomen lage bessenstruiken
geplant, bij voorbeeld rode en zwarte bessen in Groningen, Zeeland en De Bangerd
in West-Friesland, of kruisbessen in Zeeland en op de Zuid-Hollandse eilanden.
Ook hazelnoten trof men regelmatig aan, soms tussen de overige fruitbomen geplant,
soms toegepast in een haag rond de boomgaard.
Na 1880: steeds meer
grote boomgaarden
Aan het einde van de 19de
eeuw begon de bevolking in de steden sterk toe te nemen. Dat betekende dat er
steeds meer mensen kwamen die hun fruit niet zelf konden laten groeien, maar aangewezen
waren op dat wat dat door anderen werd gekweekt. Tal van boeren, die voorheen
een gemengd bedrijf hadden waar ook wat fruit voor de handel werd gekweekt, gingen
zich nu sterker dan voorheen bezighouden met de fruitproductie. Zo kwamen er steeds
meer en steeds grotere boom-gaarden. Ook in deze grote boomgaarden uit het einde
van de 19e eeuw en de eerste decennia van de 20e |
eeuw
werden hoogstamfruitbomen aangeplant. Bovendien bleef het oude gebruik om in een
boomgaard verschillende soorten fruit te telen bestaan. De grote boomgaarden waren
niet alleen nuttig, ze werden ook mooi gevonden.
' Wie kent ze niet, de bloeiende bongerden in de Betuwe, de Tieler- en Bommelerwaard,
het Land van Maas en Waal, het kleigebied van Utrecht, de Lijmers en de smalle
strook langs den Geldersche IJssel, als ook de boomgaarden in Noord-Holland en
Limburg. We bewonderen hen in den voorzomer als de appel- en perenbomen volop
in bloei staan, maar ook in den winter als de silhouetten van de boomen duidelijk
uitkomen, is de boomgaard vaak een mooi stuk landschap'. Aldus verwoordde M. Barendrecht-
Hoen de gevoelens van velen in 1946 en wel in de tweede druk van het boekje 'Boomen
in het Nederlandsche Landschap', uit de bekende Heemschutreeks. Rond 1950 telde
ons land zo'n 65.000 ha hoogstamfruitbomen, waarvan het grootste deel uit appelbomen
bestond.
Het rooien der hoogstamfruitbomen
na 1960
Na 1960 zijn enorme hoeveelheden oude hoogstamboomgaarden opgeruimd. Daarvoor
zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. Zo was er de rijksoverheid die -vanwege
een te groot aanbod van fruit -het aantal boomgaarden wilde verminderen en daartoe
rooipremies verstrekte. Bovendien kreeg de hoogstamfruitboom zware concurrentie
van de laagstamfruitboom. Het grote voordeel van de laagstambomen is dat het plukken
van het fruit makkelijker en dus goedkoper gaat. Daardoor zijn in tal van boomgaarden
de oude hoogstamfruitbomen opgeruimd en vervangen door fruitbomen met een laagblijvende
stam. Elders vielen hoogstamboomgaarden ten offer aan stads- en dorpsuitbreiding.
Tegelijkertijd werden ook in veel particuliere tuinen, zowel in de dorpen als
in de steden, de oude hoge fruitbomen gerooid, niet zozeer omdat men het oogsten
bezwaarlijk vond of omdat men teveel fruit kreeg, maar omdat men een tuin met
meer zon wilde hebben. Al met al nam het aantal hoogstamfruitbomen overal in korte
tijd drastisch af. Maar er veranderde nog meer: allerlei oude fruitrassen raakten
in onbruik en werden vervangen door andere. Zo verdwenen op veel plaatsen de ouderwetse
zachte en zoete appels zoals de bekende sterappel. Daarvoor in de plaats kwamen
hardere, meer zure soorten.

Bovendien verdween het
oude gebruik om in een boomgaard verschillende soorten en rassen door elkaar te
kweken. In plaats daarvan concentreerde men zich op een enkele soort en een enkel
ras.
Belangstelling voor behoud
Niet iedereen was even gelukkig met het verdwijnen van de vele oude hoogstamfruitbomen
uit boomgaarden en tuinen. Sommigen betreurden het verlies omdat zij een landschap
met veel laagstamfruitbomen veel minder aantrekkelijk vonden dan het oude landschap
met hoogstambomen. Anderen misten de smaak van de talloze verdwenen appel- en
perensoorten. En weer anderen wezen erop dat het nuttig was uit kwekers-oogpunt
niet al het oude fruitbomenmateriaal, zoals dat in vele hoogstamboomgaarden sinds
generaties te vinden was, binnen een paar decennia geheel verloren te laten gaan.
Daar kwam bij dat langzamerhand duidelijk werd, dat wat er nog restte aan oude
hoogstam-fruitbomen, bij gebrek aan belangstelling en vakkennis steeds meer verwaarloosd
werd. Te denken valt in dit verband aan boomgaarden bij boerderijen die door stedelingen
gekocht werden of bij buitenplaatsen die kantoor werden. Inmiddels zijn er op
verschillende plaatsen initiatieven ontwikkeld om iets voor de hoogstamfruitbomen
te gaan doen, zoals men dat al eerder heeft gedaan bij de zo karakteristieke,
maar eveneens in hun voortbestaan bedreigde knotwilgen. Daarbij moet gedacht worden
aan een deskundige restauratie, goed onderhoud en beheer van het bestaande enerzijds,
en aan het aanplanten van nieuwe bomen anderzijds. Organisaties van vrijwilligers
spelen hierbij een belangrijke rol. Tot de in het oogspringende activiteiten behoort
de actie 'Houd de bongerds hoog', die afgelopen najaar startte en die werd gecoördineerd
door de landelijke Stichting Landschapsbeheer in Utrecht. Er werden 'open boomgaarddagen'
georganiseerd en cursussen gegeven. Bovendien werd er naar gestreefd per provincie
100 nieuwe hoogstamfruitbomen aan te planten en extra vrijwilligers te werven
om te helpen bij de instandhouding van de traditionele bongerds. Binnenkort loopt
de actie ten einde. Om dit einde niet ongemerkt voorbij te laten gaan, worden
overal in het land bloesem-tochten georganiseerd, waarbij de aandacht wordt gevestigd
op de hoogstamfruitbomen.
Nadere informatie over deze
en andere activiteiten bij de landelijke Stichting Landschapsbeheer te Utrecht
(tel. (030) 234 07 77) of bij de provinciale stichtingen. |