|
Het eerste appeltje ter wereld heette Malus sylvestris en kwam uit de Kaukasus:
nauwelijks groter dan een klokhuisje met een schil erom. Door eeuwenlange veredeling
wisten we de laag vruchtvlees te verdikken tot iets om je tanden in te zetten.
Dat we nóg verder gingen, en appels oppompten tot ze meer dan een pond wogen,
is nauwelijks een verrijking van de fruitschaal. Nee, dan de allerbeste vers geoogste
appeltjes van de hoogstamboom, schuimig en sappig als een glas cider! Eens werd
"appel" gebruikt als term voor zo ongeveer elke ronde boomvrucht - dus
was het wel een appel waarmee de listige slang Eva verleidde? - wat blijkt uit
'granaatappel' en 'kweeappel' (die pas later kweepeer ging heten). Nederlandse
appels moeten er vanaf de negende eeuw zijn geweest, aanvankelijk in kloosterhoven
aangeplant voor ze gewonere gaarden en tuinen bereikten. Bij de oudst traceerbare
soorten van de gecultiveerde Pirus malus horen de Schone van Boskoop (sinds 1856)
en de Notarisappel, rond 1890 voor het eerst gekweekt (gewonnen in vaktaal) door
notaris J.H.Th, van Ham te Lunteren. Andere schitterende types zijn de Dubbele
Bellefleur, het Schellinkhoutertje (met spierwit vrucht-vlees), Gronsvelder Klumpke,
Present van Holland (zo'n 35 jaar geleden nog ter veiling verhandeld voor een
kwartje per kilo), Limoenappel, Groninger Kroon, Anna Boelens, Zijden Hemdje en
Zigeunerin. Ze leken in rap tempo uit te sterven, maar de Noordelijke Pomologische Vereniging
schoot te hulp: in het Drentse Frederiksoord richtte ze een museale boomgaard
in, waar nu krap duizend fruitrassen pronken, |
mét de genoemde appelsoorten
(www.npv-pomospost.nl). De NPV adviseert particulieren met appelaspiraties welke
bomen het meest geschikt zijn voor bescheiden eigen teelt, en tipt ons over kwekers,
zoals onder andere Josje Regout in Nieuwkoop, die historische boompjes leveren.
Appels telen is nog een
hele kunst, want fruitbomen zijn notoir gevoelig voor allerlei verwoestende aandoeningen.
Ook de vrucht heeft noten op haar zang: ze wenst warmte, maar geen hitte. Het
verschil tussen dag en nacht mag groot zijn, en appels willen zon én schaduw,
daar krijgen ze een blos van. Bij echte fruitverkopers merk je dat appeloogsten
elkaar vanaf augustus snel opvolgen: eerst allerlei handappels (vroeger dessert
appels genoemd) en rond oktober ook moesappels als renettes en de Schone van
Boskoop. Naar zoete appeltjes of legappels - traditioneel in vloeipapier op luchtige
zolders bewaard - moet je echter zoeken met een kaarsje. Bewaren doen we immers
in koelhuizen, en dan vooral de grote gemene delers als Jonagold en Elstar, die
er dan ook het hele jaar door zijn. Onderscheiden smaaknuances als zoet, halfzoet,
droog, geparfumeerd, sprankelend, banaanachtig, bloemig, zacht- zuur en zuur zijn
bij deze rassen weggeteeld. Je vindt ze hooguit in fruit van hoogstamtelers die
oude rassen voeren. Of bij jezelf, wanneer je zo'n (historische) appelboom in
de tuin poot. Dat brengt geluk! Bijkomend voordeel: op milde avonden kun je er
onder mijmeren, als in het beroemde gedicht Onder de appelboom van Rutger Kopland.
ALMA HUISKEN
|