VOOR UITSTERVEN BEHOED, BLEKE BET NIEUWE VROEGZOETE APPEL

Een frisse fruitgeur komt de bezoeker tegemoet op de jaarlijkse fruitteelttentoonstelling van de Stichting 't 0lde Ras'. In houten kisten en papieren bakjes liggen appels en peren in al hun glorie te pronken. Van bonkige, troebelgroene grootheden als de Koningin Emma tot fijne, geeloranje dwergvormen al dan niet gesierd door de spreekwoordelijke blozende wangetjes.

Wij hebben een Zwijndrechtse wijnpeer en daar willen we een stoofpeer bijdoen. Welke moeten we dan gebruiken voor de bestuiving?" wil een echtpaar bij één van de informatiestands weten. Het antwoord op deze vraag blijkt te vinden te zijn in bestuivingstabellen. De combinaties met de meeste kans op een vruchtbaar samengaan zijn die perenrassen die vrijwel dezelfde data van hoogbloei hebben. Deze bloei wordt gedefinieerd als het stadium waarbij ongeveer 50% van de bloemen helemaal open is. Aan de hand van de tabellen worden de verschillende alternatieven uitgebreid besproken. Een kraampje verderop staat een vrouw met een brede glimlach: "Mijn ouders hadden vroeger een grote groentezaak." Het is een feest van herkenning voor haar, deze fruittentoonstelling met meer dan 1000 verschillende rassen van appels, peren, pruimen, kersen, kweeperen, mispels en noten. Een andere bezoeker vertelt op bezorgde toon dat hij last heeft van kromgroei in de perzikboom. Helaas blijkt dit aan de soort te liggen. Ook kunnen appels en peren gedetermineerd worden, mits men vier of vijf gave exemplaren van de onbenoemde vrucht heeft meegebracht. "Soms zie je het meteen, maar ieder jaar komen we op die manier nog zo'n tien tot vijftien nieuwe rassen tegen", vertelt Bennie Giessen, voorzitter en een van de oprichters van de Stichting 't Olde Ras'. "En dan wordt het zoeken in tabellen en oude boeken."

NOSTALGIE
De fruittentoonstelling vindt plaats vlak achter Doesburg in Gelderland waar de 1½ ha. grote museumtuin van 't Olde Ras' bijna aan de Oude IJssel ligt. De stichting houdt zich bezig met het behoud en de bevordering van fruitcultuur. Inmiddels staan er zo'n 1500 rassen van verschillende soorten fruit aangeplant. "Het doel van de stichting is in de eerste plaats om te voorkomen dat bepaalde rassen uitsterven. En natuurlijk speelt er een stukje nostalgie mee", zegt Giessen, "Het aanbod is door de commercie enorm verschraald. In de supermarkt vind je nog maar vier of vijf appelrassen zoals Jonagold, Elstar, Golden Delicious en Granny Smith. Rassen die voldoen aan de volgende voorwaarden: ze moeten ziektebestendig zijn, mooi hard, sappig en lang bewaard kunnen worden. Smaak komt op de laatste plaats." Het terughalen van de fijne, oude smaken van vroeger behoort tot een van de uitdagingen voor de vrijwilligers van de stichting. Fruit smaakt het beste als het net van de boom gevallen is. "Ruim de helft van de rassen is bijzonder smakelijk. Zo is er een bepaalde pruim die niemand echt lekker vindt, maar van de boom hier vindt iedereen hem heerlijk," vervolgt hij. Bennie Giessen zit zijn hele leven al in de fruithandel. In de loop van de jaren verzamelde hij allerlei gegevens over oude rassen. "Ik kwam veel bij de mensen thuis. Vaak kreeg ik vragen als: "wat zou dat toch voor een appel of een peer zijn? En dan probeerde ik daar achter te komen. Ik bewaarde al die adressen; op een gegeven moment had ik zo'n 800 tot 900 rassen." Een dusdanig omvangrijke hoeveel-heid dat er iets mee gedaan moest worden en zo werd in 1992 de Stichting 't Olde Ras' opgericht. Al een paar jaar daarvoor waren her en der bepaalde fruitrassen geënt;

deze waren vruchtdragend toen zij naar de kersverse museumtuin werden overgeplant. Andere moesten eerst geënt worden; sommige bomen hebben nu na bijna tien jaar nog steeds geen vruchten voortgebracht. Op het terrein staan voornamelijk laagstambomen zodat bezoekers de vruchten goed kunnen bekijken. Al het fruit in de museumtuin waaronder ook bessen, bramen, perziken, abrikozen en sierfruit kan in het Nederlandse klimaat overleven en is volledig onbespoten. De bomen worden biologisch bemest met afval uit de tuin zelf zoals blad, snoeihout, rotte appels e.d. Giessen: "De filosofie hierachter is dat de ene plaag de andere opheft." Ook zogenaamd ongedierte wordt op een natuurlijke manier bestreden; de mezen eten de rupsen op. Op verschillende plekken in de tuin hangen nestkasten voor die rupsenverdelgers. "Een mezenpaar dat jongen heeft, vangt per dag wel 200 rupsen," vertelt hij, "ze kunnen in zulke ideale omstandigheden wel twaalf tot dertien jongen grootbrengen."

SLUIPWESPEN
Ook nestelt er een torenvalk - goed om de muizen kort te houden - die de afgelopen vijfjaar in totaal 27 jongen heeft grootgebracht. Daarnaast liggen er bossen riet. Hierin overwinteren sluipwespen en wilde bijen die in het voorjaar de spinteitjes en luizen opeten. Ook hangen er aardewerken bloempotten gevuld met hooi waarin veel oorwurmen zitten. Wat ook scheelt is dat de museumtuin geen monoculture is; daardoor zijn bomen en struiken minder kwetsbaar. "Spreeuwen keren is bijna onmogelijk. Het is te duur om hele kersenbomen onder netten te zetten," vertelt Giessen, "daarom doen we dat meestal maar met een paar takken. Dan hebben we toch wat oogst, genoeg voor het ontwikkelen van nieuwe rassen en om onderzoek te doen naar ziekte-bestrijdingsmethodes. De rest is voor de spreeuwen." Voor de bestuiving staan er verder een paar bijenkorven. Aan het einde van de zomer komen er in de museumtuin allerlei zaailingen op. De beste en sterkste daarvan worden bewaard. Op deze manier kunnen nieuwe rassen worden opgekweekt. Zo heeft de museumtuin een vroegzoete appel verkregen die als officiële benaming Bleke Bet heeft meegekregen. Een waardige benaming geheel in de traditie van andere kleurrijke appelnamen zoals Roomsche Griet, Sijden Hemdje, Dominee Douwersappel, Mooie Maartje, Platte Bellefleur, Oude Wijven, Oranje Reinette, Notarisappel en de Glorie van Doesburg. Deze en vele andere rassen staan afgebeeld -vaak voor het eerst - en beschreven in een losbladig systeem dat de stichting uitgeeft. Op deze wijze en door bijvoorbeeld een boekje met traditionele recepten uit te geven probeert de stichting oude fruitsoorten levend te houden. Naast directe consumptie kunnen de vruchten gebruikt worden in jam en gelei. Kersen op brandewijn blijven jarenlang goed. Het proeven van zelfgemaakte vruchtenwijn laten weinig bezoekers aan zich voorbij gaan. "Opvallend is dat er steeds meer jonge mensen komen die belangstelling hebben voor het opkweken en vormen van vruchtbomen," besluit Giessen. Intussen is het druk geworden en richt hij zich tot een van belang stellenden: "Ik heb een vraag over de zure Brederode," begint deze.

pomospost De "Fruitpers".

Arts & Auto
2001