| Van
onze medewerker Theo Haerkens
ZWIGGELTE - "Ik heb
net zo lief dat ze mijn bomen niét snoeien. Die goudreinet is er ook niet
mooier van geworden". De oude man kijkt kritisch naar de fruitbomen rond
zijn huis in het Drentse dorpje Zwiggelte. Ze staan schots en scheef in het weilandje
naast zijn huis waar schapen het gras kort houden. Bestrijdingsmiddelen gebruikt
hij niet. "Er komt zat aan, we laten het zoals het is".
Tevreden schuifelt het oude boertje door zijn achtertuin. Hij wijst op de peertjes
die zich al ontwikkelen aan een tak hoog boven het rieten dak. "Mijn vader
heeft die boom nog opgekweekt uit een zaadje. En aan die appelboom verderop groeien
zulke lekkere appels, van die dikke gele!", prijst hij. "Dat daar aan
de weg is een mispel, daar is vorige winter de kop uitgewaaid, maar hij schiet
aan de onderkant alweer uit". Uit het groen van de kersenboom steekt een
dode tak naar boven, een gevolg van slecht onderhoud. De boer kan zich er niet
meer druk over maken. "Ik ben 85, het is wel mooi zo".
De hoge fruitbomen op het landje achter zijn huis leveren meer dan genoeg op voor
eigen gebruik, de gezinnen van de kinderen en de behoefte van vrienden en kennissen.
Het restant is voor de schapen. 'Als ze een appel horen vallen, rennen ze er met
z'n allen op af'. De bomen en de, bessenstruiken rondom het boerderijtje vertegenwoordigen
de weelde van vroeger, toen fruit voor de arme boeren de enige bron van vitamine
was. Vooral appels en peren konden lang worden bewaard en hielpen hen de winter
door.
Met efficiënte fruitteelt hebben boomgaardjes als deze niets te maken en
de opbrengst haalt dan ook zelden een winkel. De appels, peren, kersen en noten
die de eigenaren niet zelf eten of wecken worden aan de kant van de weg te koop
aangeboden. De professionele fruitteelt houdt zich allang niet meer met deze vorm
van teelt bezig. De bomen zijn te hoog, ze vergen te veel onderhoud en het is
lastig bij het oogsten.
De stichting Landschapsbeheer Nederland betreurt de teloorgang van de hoge fruitbomen.
De vaak kleine boomgaardjes rond boerderijen en landhuizen geven het landschap
in Drenthe, Limburg en delen van Gelderland zijn aparte charme. Daarnaast vormen
de hoge bomen belangrijke eco-stystemen. Ze trekken insekten aan, die op hun beurt
vogels lokken. |
Spechten
en grauwe vliegenvangers vinden hoog in de bomen een plek om te nestelen.
Kleine korte boompjes zijn veel praktischer: aan de oogst komt geen ladder te
pas en het plukken kan zelfs gedeeltelijk machinaal worden gedaan. Bovendien is
de opbrengst per hectare hoger doordat de bomen veel dichter op elkaar staan.
Maar spechten vinden in de lage eenvormige boomgaarden hun draai niet, evenmin
als het steenuiltje en het winterkoninkje. Hun aantal is flink achteruitgegaan
sinds de commerciële fruitteelt in de jaren zestig de bijl zette in de hoge
vruchtbomen. De kleine boomgaardjes op hun beurt kwijnen weg door gebrekkig onderhoud.
"De rijkdom aan vogels en insekten in die moderne boomaarden is een stuk
minder", vertelt Rinko Van der schuur van Landschapsbeheer Drenthe. "Die
bomen zijn allemaal even oud en er is nauwelijks variatie in de dichtheid van
de begroeiing".
Landschapsbeheer Drenthe begrijpt dat de fruittelers die van hun boomgaard moeten
leven de hoge bomen te lastig vinden. Maar de organisatie ziet graag dat de kleine
boom-gaardjes behouden blijven. Zij organiseert cursussen om de kennis over onderhoud
te verspreiden (in de winter flink snoeien en in de zomer een beetje bij houden),
geeft boeren subsidie om hun hoge boomgaarden te behouden en prikkelt nieuwe eigenaren
van oude boerderijtjes en buitenhuisjes om weer hoge fruitbomen aan te planten.
Onder het motto 'Houdt de Bongerds Hoog' worden op 7 en 8 oktober overal in het
land open dagen gehouden. Belangstellenden kunnen dan de boomgaard in en zelf
de ladder op om een mandje kersen, pruimen of peren te plukken. Dat is aantrekkelijk
voor wie zoete herinneringen bewaart aan Notarisappel, Ossenkop, Koningszuur,
Roggezoet of de Glorie van Holland, want die zijn bij de moderne supermarkt niet
te vinden. Van der Schuur spreekt onomwonden van 'toeristisch kapitaal', al vraagt
hij zich bij herhaling hardop af waarom de conifeer erin geslaagd is de Nederlandse
tuintjes zo te domineren. "Waarom zetten ze niet een inheems vruchtboompje
neer of een beukenhaag?". Hij laat niet na te benadrukken dat het niet alleen
gaat om het mooie. De hoge fruitbomen zijn ook voor de fruitveredelaar belangrijk.
Ze vormen een 'genenbank', want de ouderwetse rassen zijn in de moderne boomgaard
nauwelijks vertegenwoordigd en die heb je juist wel nodig om bestaande rassen
te verbeteren. |