In de dertig jaar dat Hendrik ten Elsen in dienst was van een boomkweker, heeft hij de fijne kneepjes van het vak geleerd. Zijn eigenzinnige benadering komt dan ook niet voort uit gebrek aan kennis. In tegendeel. Gaandeweg kreeg hij echter steeds meer hekel aan de moderne productiemethoden. Begrijpelijk als tengevolge van veelvuldige bestrijdingsmiddelengebruik je geheugen ernstig wordt aangetast. Hendrik besloot andere, gifvrije wegen in te slaan.
De natuur kan het ook zonder mijn hulp wel af.
Her en der verzamelde hij entmateriaal van oude fruitrassen en begon thuis met het kweken van in onmin geraakte bomen. “De rassen van vóór 1900 hebben bewezen dat ze zonder gif geteeld kunnen worden”, licht hij toe. “Anders hadden ze het niet gered.” Het gelijk van Hendrik wordt bewezen in de houtwal rond zijn erf. Daarin groeien tientallen oude hoogstamrassen, die nog nooit zijn bespoten en gesnoeid. Hoewel ze hier en daar worden weggedrukt door inheemse struiken, dragen ze volop fruitl “.Je ziet het. De natuur kan het ook zonder mijn hulp wel af. Je moet haar natuurlijk wel de kans geven. Daarom laat ik de ruigte ongemoeid. Daarin leven insecten, die de belagers van de vruchtbomen te lijf gaan. Mijn stelling is: Wat de Here laat groeien, laat Hendrik staan. Het gevolg is, dat ik nooit hoef te spuiten. En snoeien is evenmin nodig. Misschien heeft een enkele boom wel iets te veel takken, maar dat is niet erg. Een volle boom vind ik veel mooier dan zo’n uitgeklede hark.”
Het fruit geef ik terug.
Het vele fruit dat de bomen in de houtwal opleveren, verkoopt hij niet. “Ik ben vruchtboomkweker, géén fruitkweker”, verklaart hij z’n handelen. “Ik geef het fruit terug aan de natuur. Dat loont. Als je de natuur een klein beetje geeft, krijg je er een heleboel voor terug. In de nazomer komen vlinders zoals atalanta en allerlei vogels in grote getale op de vruchten af. Ze zijn me veel meer waard dan de paar tientjes, die ik met de verkoop kan beuren. Ik wil bewijzen, dat je op een natuurlijke manier fruit kunt telen.”
Bomen in potten verkoop ik niet.
Op de kwekerij heeft zich een klant gemeld. Hendrik gaat naar haar toe en maakt op vriendelijke wijze duidelijk, dat dit niet de geschiktste tijd is om vruchtbomen te verplanten. “Ik heb een biologische kwekerij en ben een man van principes”, zegt hij. “Ik houd me aan de natuurlijke regels. Die zeggen: wat je in de herfst plant móet groeien, wat je in de lente of zomer plant kan groeien. Vandaar dat u nu wel een paar bomen mag uitzoeken, maar ik vraag u om in het najaar terug te komen om ze op te halen.” Nadat de klant is vertrokken, gaat Hendrik nader in op de filosofie van zijn bedrijf. “In mijn boswal wil ik bewijzen, dat je op een natuurlijke manier fruit kunt telen. De oude rassen die daarvoor nodig zijn, kunnen tegen schappelijke prijzen op mijn kwekerij worden gekocht. Maar voor mij is de handel niet het belangrijkste. Natuurlijk moeten mijn familie en ik leven, maar op een ethisch verantwoorde wijze. Ik vertik het om bomen in potten te verkopen, zoals andere kwekers doen. Die kunnen misschien het hele jaar door uitgeplant en dus ook verkocht worden, maar dat is alleen maar goed voor de portemonnee van de kweker. Voor de bomen is het funest.
In de pot groeien de wortels in de vorm van een kurkentrekker. Dat blijft zo, ook na het uitplanten. De wortels worden steeds dikker en na verloop van tijd knellen ze elkaar af. Na vier of vijf jaar groeit de boom niet meer. Hij heeft zichzelf gewurgd! Dat wil ik mijn klanten én mijn bomen niet aandoen! Ja, ik ben daar heel principieel in. Ik houd van mijn bomen. Ik heb geen tik van vruchtbomen kweken, maar een flinke dreun.”
De natuur bepaalt of mijn bomen gezond blijven.
Al pratend heeft Hendrik met twee handen de stam van een appelhoom omvat en schudt hij krachtig. Enkele tientallen onvolgroeide appeltjes vallen op de grond. Hij pakt er een paar op en laat zien, dat ze aangetast zijn door de rupsen van de wintervlinder. “Dit is mijn manier van bestrijden”, licht hij lachend toe. “Deze rupsjes kunnen geen vlinders meer worden. Zo voorkom ik een plaag.” Kennelijk is Hendrik geschrokken van zijn ingrijpen in de natuur, want hij haast zich te

zeggen dat hij normaliter niets aan bestrijding doet. “Dat laat ik aan de natuur over. Ik zal het je laten zien.” Even later staan we bij een jonge vruchrboom, die een paar loten mist. “Vorig voorjaar zijn de knoppen opgevreten door de zwarte bonenluis. Eerst zag ik een paar van die luizen, maar er kwamen er steeds meer. hoewel de schade uit de hand dreigde te lopen, heb ik toch besloten om niet in te grijpen. Mijn vertrouwen in de natuur werd beloond. Vanuit de boswal zijn er lieveheersbeestjes gekomen, die de luizenkolonie in een mum van tijd hebben uitgeroeid. Ik heb mijn les geleerd. Ik bepaal niet of mijn bomen gezond blijven, dat doet de natuur!”
|
Dieren heb ik puur voor m’n lol.
“Ik heb contact met mijn bomen, in zekere zin praat ik met ze”, zegt Hendrik. Aan de rand van een bloemrijk weiland met twee Shetland pony’s staan een paar vruchtbomen, die wél gesnoeid lijken te zijn. Hoe zit dat?, wil ik weten. Hendrik begrijpt me verkeerd. Hij denkt, dat de vraag betrekking heeft op de pony’s. “De paardjes zijn van één van mijn jongens”, reageert hij. “Hij spant ze voor de wagen. Eerlijk gezegd vind ik het zelf ook leuk om zo nu en dan een ritje te maken. Ik ben gek op dieren. Alles wat leeft en groeit, boeit me. Onze vorige pony is veertig jaar oud geworden. Het doet me nog zeer, als ik aan zijn dood terugdenk. Maar hij heeft een mooi leven gehad. Dat hebben de dieren op mijn erf trouwens nog steeds. Ik vertroetel mijn geiten, eenden en kippen. Ik heb ze puur voor mijn én hun lol en niet voor de slacht. Ik zeg altijd: Ik heb ze het leven niet gegeven, dus mag ik het ze ook niet ontnemen.” Terwijl Hendrik dit zegt, haalt hij zijn hond aan die ons kwispelend is komen vergezellen.
Ik overleg met m’n bomen.
Na de vraag herhaald en beter gefonnuleerd te hebben, wordt het Hendrik duidelijk dat die betrekking heeft op de kennelijk gesnoeide vruchtbomen. “Ja, zo nu en dan snoei ik vrijstaande bomen, ‘maar niet op de manier van fruitkwekers. Ik ga voor een boom staan en
vraag hem in gedachten of ik een tak mag afsnoeien, zodat hij mooier wordt. Ik overleg als het ware met de boom. Niet hardop, maar in gedachten. Ik heb contact met mijn bomen, in zekere zin praat ik met ze. Zo wordt de snoeiwijze bepaald. Het resultaat is, dat ik nooit veel takken ineens afsnoei. Rigoureus snoeien laat ik over aan de hoveniers. Die denken dat ze hun loon niet waard zijn, als er na het werk geen flinke stapel hout onder de boom ligt.” Hendrik snoeit in overleg met de boom dus anders. “Als ik een boom aanpak, doe ik er drie of vier jaar over. De kroon blijft dan in harmonie met het wortelgestel. Dat is belangrijk, want in de natuur streeft alles naar evenwicht. Zou ik in één keer een heleboel takken wegnemen, dan zou de natuur het evenwicht proberen te herstellen door het volgende seizoen een heleboel waterloten te maken. Op een rijke oogst mag je dan niet rekenen. De energie van een vruchtboom is beperkt. Drastische snoei prikkelt de groei, maar houdt de vruchtbaarheid tegen. Dat moet je onthouden.”
De vogels zijn mij steeds vóór.
Hij vervolgt: “De gesnoeide bomen zijn kersen. Ik weet niet of de vruchten lekker zijn. Ik heb nog nooit een rijpe kers geoogst. De vogels zijn me altijd een slag voor geweest. Dat kan me niets schelen. Voor mij hebben de kersenbomen een andere waarde. In het voorjaar ga ik tegen hun stam zitten om weg te suffen, Dan luister ik met de ogen dicht naar het weldadige gezoem van de bijen in de kroon, terwijl de zoete geur van de bloesem in m’n neusgaten dringt. Dat is pas genieten!” Hendrik wijst zijn klanten eerlijk op de voorliefde van vogels voor kersen. “Als iemand een kersenboom komt kopen, vraag ik altijd: Wil je hem voor de vruchten of voor het mooi? Als ze zeggen voor de vruchten, antwoord ik: Als je kersen wilt eten, kun je het beste naar de groenteman gaan.”
Het kan prachtig worden.
Hendrik houdt niet alleen van de natuur op zijn erf, ook die in de omgeving laat hem niet onberoerd. Vandaar dat hij heeft besloten om een iets verderop gelegen weiland waarvan de pacht is opgezegd, aan de natuur terug te geven. “Mijn weiland ligt tussen een natuurgebiedje, waar nog boomkikkers en een zeldzame vleermuissoort leven. Ik kan het wel opnieuw verpachten, maar de paar honderd gulden die ik daarmee jaarlijks vang, wegen niet op tegen de natuurwaarde. Ik ben van plan om in het weiland een kikkerpoel te laten graven en met de uitgegraven grond een vleermuizenbunker te laten bouwen. Verder wil ik de houtwallen herstellen en het grasland verschralen. Wilde planten die door het kunstmestgebruik al lang uit het gras zijn verdwenen, krijgen zodoende weer de kans om zich er te vestigen. Het kan prachtig worden! Ook op de weilandjes rond mijn huis komt geen kunstmest. Alles groeit en bloeit er op de keutels van mijn paarden.”
Slapeloze nachten heb ik ervan gehad.
Het is overigens de vraag of Hendrik’s droom verwezenlijkt zal worden. Onlangs is bekend geworden, dat er plannen zijn om naast het bewuste weiland een recreatiepark aan te leggen. “Als dat doorgaat, heeft mijn natuurterrein geen kans van slagen”, stelt hij vast met emotie in zijn stem. “Waar moeten de boomkikkers en vleermuizen dan blijven? Ik heb er slapeloze nachten van gehad. Ik kan nu eenmaal geen afstand doen van wat hier in de omgeving leeft.” Dan vermant de vruchtboom-kweker zich en pakt de draad van zijn verhaal weer op. “Ik vind de natuur zo mooi, dat ik zo nu en dan op mijn rug in mijn bosje ga liggen om te kijken en te genieten.” Mijn bosje?, vraag ik. “Ja, veertien jaar geleden heb ik hier in de omgeving een stukje bos van anderhalve hectare aangekocht. Ik probeer het zo gunstig mogelijk te beheren voor de natuur. Dat lukt heel aardig. Er leven nu enkele tientallen exemplaren van de kleine ijsvogelvlinder een zeldzame soort.”

|