Ouderwetse vruchtbomen moeten terug in het landschap

Door onze medewerker
Alex van Hoof

Het zijn smaakmakers uit vervlogen tijden: Bellefleur, Eldense Blauwe en Suikerpeer. Tientallen jaren geleden waren de bomen waaraan dit fruit groeide talrijk, tegenwoordig zijn ze spaarzaam. Een campagne van Landschapsbeheer Nederland moet de vergane glorie herstellen. Tuinliefhebbers kunnen ook een duit in het zakje doen: een koele maand maart is een prima periode voor nieuwe aanplant.
Wie voor zijn tuin op zoek is naar fraaie, nostalgische fruitbomen moet uiterlijk in maart zijn slag slaan. In deze eerste lentemaand zijn de temperaturen nog niet te hoog, verdampt de boom weinig water en kan aanplant succesvol resultaat opleveren. Vooral hoogstamvrucht-bomen met klassieke fruitsoorten zoals Bellefleur, Notarisappel, Sterappel, Winterjan, Opal en Keuleman vormen een kleurrijke tuinaanwinst. Ze geven een fris geurende bloesem in het voorjaar, schaduw in de zomer en een paar kisten fruit in het najaar. Kenmerkend is de stam van ongeveer twee meter hoog die zich vervolgens vertakt in allerlei dikke en dunne scheuten. De variëteit aan soorten bomen is enorm: er zijn honderden verschillende rassen van appels, peren, pruimen en kersen.
In Nederland is tijdens de Romeinse overheersing de kiem gelegd voor hoogstamvruchtbomen, maar onder het bewind van Karel de Grote (omstreeks 900) is de teelt pas goed op gang gekomen. In de middeleeuwen groeiden ze met name in adellijke tuinen en in die van kloosters. Vanaf de zestiende eeuw tot omstreeks 1950 sierden deze boomgaarden ook graasweiden van boeren.
Het einde van de bloeiperiode van hoogstamvruchtbomen valt samen met de opkomst van de grootschalige fruitproductie na de Tweede Wereldoorlog. Er kon toen veel meer geld met de fruithandel worden verdiend. Om aan de fors stijgende vraag naar Nederlandse vruchten te voldoen, deelde de overheid in onder meer 1953 en 1957 rooipre-mies uit. Hoogstamvruchtbomen maakten plaats voor fruit dat op een lage stam van circa vijftig centimeter werd geteeld. Ze worden bomen genoemd, maar lijken meer op een struik. Deze zo genoemde laagstammigen bieden voor fruittelers vele voordelen die de grotere, traditionele bomen niet hebben: er passen meer exemplaren op een hectare, ze zijn makkelijker te snoeien en eerder vrucht-dragend. In het landschap verrezen talloze, keurig aangelegde rijen productieve fruitboompjes zonder noemenswaardige bloesem: een toeristische trekpleister ging verloren.
Bloeiende hoogstamvruchtbomen zorgden, voordat rooipremies roet in het eten gooiden, in Zuid-Limburg en de Betuwe voor populaire recreatieve bloesemtochten. De feestelijke lentekleuren van de natuur leverden idyllische plaatjes op. In Limburg zijn dergelijke tochten nog steeds mogelijk, maar het aanbod is wel minder geworden. In 1950 had deze provincie 15.000 hectaren aan hoogstamboomgaarden, terwijl daar eind jaren tachtig nog maar 1500 van over waren.De laatste tijd loopt het aantal hectaren in bijvoorbeeld Zuid-Holland

en Utrecht minimaal terug, blijft het redelijk stabiel in Limburg en is er zelfs een kleine groei in Gelderland. Dat het aantal traditionele fruitbomen niet schrikbarend daalt, komt onder meer door de campagne 'Maak je erfgoed' van Landschapsbeheer Nederland. De actie is met name gericht op het instandhouden en aanleggen van ouderwetse boerenerven, waarbij de regionale verschillen van hoogstamvrucht-bomen weer kunnen opvallen. Voor de moderne, massale fruitproductie zijn slechts een paar appelsoorten interessant en die hebben bovendien in Groningen en Maastricht dezelfde namen. Toen hoogstamvruchtbomen nog de dienst uitmaakten, lag dit anders. Bijna iedere regio had zijn eigen fruit, zoals de Schone van Boskoop, Brabantse Bellefleur, Noordhollandse Suikerpeer en Groninger Kroon. Hoewel hoogstamvruchtbomen karakteristiek zijn voor een boerenboomgaard, gedijen ze ook in een stadstuin. Een volwassen exemplaar met een stam van twee meter kost tussen de dertig en vijftig gulden. Ze worden door een beperkt aantal tuincentra aangeboden. Sommige centra verkopen weliswaar oude fruitrassen, maar die zijn dan speciaal geteeld op bomen met een lage stam waardoor ze kwetsbaarder kunnen zijn voor virussen en minder fruit opleveren. Aanplanten in klei- of zandgrond maakt niet zoveel uit, zolang de boom maar goede bemesting krijgt. Wanneer in de grond op circa vijftig centimeter diepte een harde leemlaag zit, moet die deels worden afgegraven. Vanwege de dichte structuur van een leemlaag neemt de rest van de grond weinig water op en kan een boom verdrogen. Dat is vooral belangrijk voor peren en pruimen omdat zij, in tegenstelling tot appels en kersen, natte grond nodig hebben. Hoewel de grond kan verschillen, zijn voor een goed resultaat bijna altijd twee of meer bomen nodig. De meeste hoogstammigen bestuiven elkaar en moeten daarom in de buurt van een andere boom staan: soort bij soort. Een solitair exemplaar krijgt stuifmeel, bloesem en fruit van mindere kwaliteit en dat geldt vooral bij kersen. Voor sommige tuinliefhebbers is dat geen punt, maar wie vruchten wil plukken heeft een flinke tuin nodig. Hoogstammige bomen zijn vrij groot en moeten daarom ver van elkaar verwijderd staan. Voor appel-, peren- en kersensoorten bedraagt dit ongeveer acht meter en pruimen hebben circa vijf meter nodig. Een oplossing voor mensen met een kleine tuin is om een boom te kopen waaraan door enten verschillende rassen van één fruitsoort zijn gegroeid: deze bestuift zichzelf. De meeste bomen moeten eenmaal in de twee tot drie jaar worden gesnoeid in vorstvrije perioden tussen november en maart. Te veel takken belemmeren goede belichting van de binnenste scheuten en de groei van jong vruchthout. Sierlijke vormsnoei is met name bij appel- en perenbomen een optie, waardoor ze bij voorbeeld een bolvorm kunnen krijgen. Dat houdt in dat voor een aantal bomen een kleine dag geklust moet worden, maar regelmatig onderhouds werk betaalt zich terug in smakelijk fruit voor meerdere generaties. Een gemiddelde hoogstamvruchtboom wordt ruim honderd jaar oud.

Voor meer informatie over hoogstamvruchtbomen:
Land schapsbeheer Nederland, Utrecht,
telefoonnummer: 030- 2340.777

pomospost De "Fruitpers".


25 februari 1998
Nieuwsblad v/h Noorden