| Reddingsbrigade
voor de vruchtboom De
appel is in gevaar. Niet de alom bekende Cox, Elstar of Golden Delicious, maar
de ouderwetse rassen. Die zijn er nog wel in Friesland, maar de vraag is waar
ze nog te vinden zijn. Binnen tien jaar zou dat in kaart gebracht moeten worden,
vindt hovenier en bomenkweker Auke Kleefstra uit Aldeboarn. Anders zou het wel
eens gebeurd kunnen zijn met de Bramley's Seedling, de Notarisappel en de Groninger
Kroon. |
| 
Auke Kleefstra inspecteert een nieuwe appel uit Tsjechië.
Door Maria Delgrosso
Foto's Jan de Vries
Veel ouderwetse fruitrassen
dreigen uit Friesland te verdwijnen. Hoewel deze provincie nooit een fruitprovincie
is geweest, stonden op erven en in tuinen toch vaak fruitbomen. De appel scoorde
daarbij het hoogst, maar ook peren en pruimen werden gekweekt. Kersenbomen waren
niet populair. Die werden al gauw te groot gevonden en het was een toer om de
vogels voor te zijn. Zodra die je boom ontdekt hadden, was hij in korte tijd leeg
gegeten. Een walnotenboom kwam ook nog wel eens voor. De kans is groot dat op
boerenerven en in stadse binnentuinen nog steeds bomen staan van ouderwetse fruitrassen
zonder dat de bewoner daarvan op de hoogte is. Kleefstra zou ze graag inventariseren.
"Der is gjin tiid te ferliezen", vindt hij. De reden van deze tijdsdruk: na de
Tweede Wereldoorlog zijn er nauwelijks nog fruitbomen geplant. Dat gebeurde pas
weer vanaf de jaren tachtig. De bomen van voor en in de oorlog zijn nu zo'n zestig
jaar oud. "Dy geane miskien noch tsien of tweintich jier mei, mar dan is it dien."
Gelukkig is de eerste hulp nabij. In Friesland is de Hoogstambrigade actief: een
groep vrijwilligers die onder leiding van Landschapsbeheer Friesland uitrukt om
particulieren te helpen bij het snoeien van de boomgaard. Vandaag gaat hun snoeiseizoen
van start met een actie in Hegebeintum, maar iedereen kan de brigade om hulp vragen
bij onderhoud. Daarbij richten de redders zich op waardevolle hoogstam- of halfstambomen.
Bij de hoogstam bedraagt de afstand tussen de grond en de eerste tak minimaal
1.80 meter, bij de halfstam is dat 1.20 meter. Juist deze bomen dreigen uit te
sterven, omdat fruittelers liever met laagstammen werken. Die kunnen vanaf de
grond geplukt worden en zijn dus het snelst te oogsten.
In Friesland waren de halfstambomen
kenmerkend, weet Kleefstra. Sommigen herinneren zich die grote bomen nog wel en
denken automatisch dat het om hoogstammen ging, maar dat is volgens hem een misverstand.
De herinnering aan vroeger komt hij vaak tegen bij klanten. "Dan sjogge hja sa'n
beam as nostalgy. Foar harren is it in stikje emoasje." Lang niet alle kopers
kiezen een boom speciaal voor de vruchten. Er zijn er die het prima vinden dat
de vogels de vruchten opeten, als ze maar een mooie boom in hun tuin hebben. Kleefstra
heeft keus uit zo'n 400 appelsoorten, 200 peren en voor de kersen en pruimen zo'n
20 tot 25 soorten. De Notarisappel vormde voor hem het begin van zijn zoektocht
naar oude rassen. Dat was zo'n twintig jaar geleden, toen hij op de tuinbouwschool
in Frederiksoord zat. Kleefstra moest daar na twee jaar opleiding kiezen om verder
te gaan met de hovenierskant of de boomkwekerij. Die keuze vond hij maar moeilijk.
Hij werd hovenier, maar de vruchtbomen bleven zijn belangstelling houden. "Op
myn kostadres stienen beammen mei appels dy't ik net kende. De eigners wisten
sels ek net wat it wie." Een zoektocht in boeken volgde en Kleefstra ontdekte
dat het om de Notarisappel ging. Die appel wilde hij zelf ook wel hebben en zo
begon het kweken in zijn volkstuintje.
Kleefstra leerde dat hij
moest enten, een loot van de oorspronkelijke boom laten groeien aan de stam van
een wilde appelboom. Toen dat slaagde, wilde hij meer. Hij verdiepte zich in de
zeventig perenbomen in leivorm langs het pad bij de tuinbouwschool en ontdekte
dat er dertig verschillende rassen tussen zaten. Van elk ras knipte hij een takje
af om te enten. "Myn folkstün waard al gau te lyts." Inmiddels kan de pomoloog
een ras goed herkennen. Maar dan heeft hij wel vijf appels van dezelfde soort
nodig. In 80 procent van de
gevallen is dan vast te stellen om welke appel het gaat. In Noordwest-Europa zijn
in totaal zo'n 2500 tot 5000 appelrassen. Daarvan zijn er slechts drie oorspronkelijk
Fries te noemen. De Dokkumer
Nije werd in de jaren twintig uit een pitje opgekweekt. Tien jaar geleden ging
Kleefstra naar Dokkum om het ras voor uitsterven te behoeden.
|
De oorspronkelijke boom
is er niet meer, maar Kleefstra heeft de nakomelingen ervan.
Notarisappel.
Ook in de jaren twintig
kweekte de familie Bosgra in Burgum de Schoone van Iephof. Een sterke boom die
veel vrucht draagt en waarvan de smaak redelijk is, aldus Kleefstra. Deze boom
kreeg tot in Brabant bekendheid. De alleroudste Friese appel die tot nu toe bekend
is, is de Doeke Martens, die al in 1758 beschreven en getekend werd. Goutum is
de enige plek waar deze bomen nog te vinden zijn.

Dokkumer Nije.
Schiermonnikoog is een
verhaal apart, vertelt Kleefstra. Daar laten toeristen zoveel klokhuizen achter
in de duinen dat uit de pitten zeker tweehonderd verschillende soorten wilde appels
zijn ontstaan. Fruitveredelaar Visser kweekte daar de Ambro uit.

Glorie van Holland.
Het maakt volgens Kleefstra
in ieder geval duidelijk dat appelrassen niet op natuurlijke wijze ontstaan. "De
minsk siket hieltyd nei in ras dat sa goed mooglik brükber is. Sa no en dan sit
der wat tusken dat der ütspringt." Tegenwoordig zijn dat de Elstar en de Cox d'Orange,
vanwege hun kleur en smaak. Maar het zou een ramp zijn als deze soorten alleen
overbleven. De oude soorten blijven nodig om ziekteresistente rassen te kunnen
kweken.
Lunterse Pippeling.
De Hoogstambrigade mag
dan een steentje bijdragen in het behoud van de ouderwetse rassen, met een bestand
van dertig tot vijftig vrijwilligers is het onmogelijk de hele provincie in kaart
te brengen. Daarvoor is in de ogen van Kleefstra een speciaal project nodig met
veel meer vrijwilligers. Dan pas wordt duidelijk welke Friezen er echt een bijzondere
boom in hun tuin hebben staan. |