Boomsoort: Appelboom.
Originele naam:
Brabantse Bellefleur.
Synoniemen:
  •   Zure Bellefleur.
  •   Roter Bellefleur.
  •   Petit Bon Pommier.
  •   Belle Fleur de Brabant.
  •   Petite Bellefleur.
  •   Belle Fleur Simple.
Herkomst:
Onbekend. Waarschijnlijk Nederland, een zeer oud ras.
Vrucht:
plukrijp: eerste helft oktober.
consumptierijp: half november eetrijp.
afmetingen: klein tot middelmatig groot, ongeveer even hoog als breed. Wat onregelmatig van vorm en bij de kelk iets geribd. De grootte van de vruchten bleef, vooral naar mate ze van een oudere boom kwamen, vaak onder de maat.
kelkholte: tamelijk diep.
kelk: klein, gesloten.
steelholte: lichte beroesting.
steel: kort, vrij diep ingeplant, dikwijls met het vruchtvlees
schil: wordt vettig bij het afrijpen.
grondkleur: geelgroene ondergrond.
dekkleur: mooi geel en rood gekleurd, vaak met rode blos. De vruchten uit de top en van de drogere gronden zijn het mooist gekleurd.
vruchtvlees: stevig, lichtzuur, wit vruchtvlees, smakelijk maar tamelijk droog. Heeft een smakelijke aroma.
klokhuis: matig groot en doorgaans redelijk met zaden bezet.
Gevoelig voor:
  •   Bloedluis.
  •   Vatbaar voor kanker.
  •   Meeldauw.
  •   Weinig last van schurft.
Oogst:
De boom is laat vruchtbaar. Veel last van beurtjaren, draagt ook in een uitstekend appeljaar niet uitbundig. Goed dunnen kan het beurtjaarritme onderbreken.
Bewaren:
In natuurlijke opslag matig tot goed. Houdbaar tot eind februari en in de koeling nog een maand langer. De Brabantse Bellefleur is ongeschikt voor gasbewaring. Vroeger werden de appels in stro ingekuild, waarbij de Bellefleur tot in de lente bewaarbaar was.
Gebruik:
Geschikt als handappel maar ook voor verwerking tot moes en gebruik in de bakkerij.
Boom:
Zwakke groeier. Kan echter op latere leeftijd een brede, dichte kroon vormen met veel fijn hout. (zie foto)
Bloei:
Langdurige late bloeier. Door zijn late bloei heeft de Bellefleur weinig last van nachtvorsten en bacterievuur.
Opbrengst:
Matige opbrengsten met beurtjaren.
Gelijke bloeiers:
Bevruchters:
Vermoedelijk diploïd, is een zelfbestuiver.
Bloeitijd: laat.
Een goede bestuiver voor zoete appelrassen.
  •   Bloeméezoet.
  •   Dubbele Zoete Aagt.
  •   Jasappel.
  •   Sterappel, wederzijds verdraagzaam.
  •   Vlaamse Schijveling.
  •   Zoete Campagne.
  •   Zoete Ermgaard.
  •   Zoete Kroon.
  •   Zoete Pippeling.
Boomvorm:
De Brabantse Bellefleur was vooral belangrijk als hoogstam. Op latere leeftijd wordt er een vrij brede en open kroon gevormd.
Onderstam:
Enten op een niet al te zwakke onderstam omdat het zo`n matige groeier is. M9 is te zwak en de boom blijft te klein.
Weerstandsvermogen:
Oorspronkelijk was de Bellefleur een vrij gezond ras. Met de opkomst van de intensievere teelt werd het pas tobben met de Brabantse Bellefleur. Door bemesting, snoei en bespuitingen kregen bloedluis en daarmee kanker, een grotere kans. In de tijd dat er nog koeien onder de bomen liepen, werd er in het voorjaar een stikstof bemesting gegeven om de grasgroei te stimuleren. Met het verdwijnen van het vee werd de stikstofbemesting vervroegd (in december al) om in het voorjaar kwalitatief goede bomen, met flinke jonge scheuten te krijgen. Juist door deze scheutgroei kon bloedluis, die vooral ontstaat op jong hout, de kop opsteken.
Snoei, waardoor meer jong hout ontstaat, werkt op dezelfde manier appelbloedluis in de hand. Bespuitingen met vruchtboomcarbolineum, dat als middel tegen luizen en spint toegepast werd, verjoeg de sluipwesp, een natuurlijke vijand van de bloedluis.
Met de bloedluis aantastingen kreeg ook vruchtboomkanker vrij spel. De wonden die door de stekende en zuigende bloedluizen gemaakt werden, werden invalspoorten voor kanker gevormd. Zo kon een onverzorgde Brabantse Bellefleur in een zeer goede conditie zijn, terwijl na de snoei (bijvoorbeeld om licht in de boom te krijgen) en verzorging een ware bloedluis- en kanker explosie ontstond.
Standplaats:
Werd aanbevolen op de Brabantse zandgronden, daar deden ze het best. Niet voor erg vochtige gronden, geschikt voor voedzame luchtige humusrijke bodems. Gevoelig voor overmaat aan water.
Teeltwaarde:
Het ras werd veel geëxporteerd vanuit Zuid-Holland naar Engeland en vanuit de Betuwe en Limburg naar Duitsland. (Roter Bellefleur)
Gelijkende vruchten:
Snoeien:
Oorzaak van verdwijnen:
Werd om zijn matige vruchtbaarheid, beurtjaar gevoeligheid en vooral om zijn problemen met de gezondheid van de bomen op den duur niet meer aangeplant. Ook was de vrucht te klein en te droog. Door zijn ongeschiktheid op onderstam M9 is de Brabantse Bellefleur nu vrijwel helemaal, op enkele oude hoogstammen na, verdwenen.
Plantadvies:
Diversen:
De Brabantse Bellefleur is een zeer goede bestuiver voor de Sterappel en werd daarom ook veel gecombineerd geplant. De steile piramidale boomvorm en de kleine bolvormige kroon van de Bellefleur gaven de boomgaard een prachtig karakteristiek uiterlijk. Helaas is dit beeld verdwenen. In 1948 stond de Brabantse Bellefleur in de rassenlijst beschreven als: "Niet aanbevolen rassen. Matig vruchtbaar; beurtjaren; kanker; op Brabantse zandgronden nog wel aanbevolen."
Brongegevens:
  •   Verdwenen appel- en perenrassen.
  •   Het appel- en perenboek.
  •   Nederlandse Fruitsoorten.
  •   Elseviers vruchtbomengids.
  •   Aanvullende info Bongerd Groote Veen.
 
 
 
 
 
Pomospost plus