| Boomsoort: |
Appelboom. |
| Originele naam:
Engelse Bellefleur. |
Synoniemen:
Koningszuur.
|
Herkomst:
Nederland. Gewonnen in een boomgaard te Lienden omstreeks 1840, die later in eigendom kwam van Js. De Kock te Aspremont. Het ras kwam vrijwel uitsluitend in de Betuwe en de Tielerwaard voor en was zeer geschikt in boomgaarden waar het vee onder graasde. De boom vraagt namelijk weinig verzorging. |
| Vrucht: |
| |
| plukrijp: |
eerste helft oktober. |
| consumptierijp: |
half november eetrijp. |
| afmetingen: |
middelmatig groot, regelmatig, kegelvormig. |
| kelkholte: |
matig diepe kelkholte, omgeven met kleine vleesknobbels. |
| kelk: |
klein, gesloten. |
| steelholte: |
vrij diep en beroest. |
| steel: |
kort, dik, diep ingeplant. Komt niet boven de appel uit. |
| schil: |
|
| grondkleur: |
geel. |
| dekkleur: |
fraai rood gekleurd. |
| vruchtvlees: |
wit, hard vruchtvlees, sterk, lichtzuur tot zuur en iets droog. |
| klokhuis: |
klein, goed met zaden bezet. |
Gevoelig voor:
- Vatbaar voor meeldauw
- Vatbaar voor spint
- op natte gronden zeer kankergevoelig.
- Goed resistent tegen schurft.
- Verder goed gezond.
|
Oogst:
Laat en dan nog maar matig vruchtbaar. Beurtjaargevoelig. De vruchten zitten nogal stevig vast aan het hout. |
Bewaren:
De vrucht is goed te bewaren. In natuurlijke opslag tot eind februari / begin maart te bewaren. |
Gebruik:
Moesappel die pas tegen het einde van de bewaarperiode geschikt wordt als handappel. De smaak is niet zo goed als van de Brabantse Bellefleur. Appelbollen en gebak. Geschikt voor de industrie. |
| |
Boom:
Vormt een kleine boom met kort, stevig hout. Werd alleen op hoogstam geteeld want op een zwakke onderstam is Koningszuur erg laat vruchtbaar. Matige groei. Vormt een steile kroon met veel fijn hout. |
Bloei:
Zeer late bloeier. Koningszuur is in het voorjaar de laatste appel die in bloei komt. Nachtvorstbeschadigingen bij dit ras komt nauwelijks voor. |
Opbrengst:
Matige opbrengsten met vaak te kleine vruchten. Beurtjaar gevoelig. |
| Gelijke bloeiers:
|
Bevruchters:
Bevat zelf goed stuifmeel en vermoedelijk zelfbestuivend.
- Bloeméezoet.
- Zoete Kroon.
- Dubbele Zoete Aagt.
- Jasappel.
|
- Sterappel, wederzijds verdraagzaam.
- Vlaamse Schijveling.
- Zoete Campagne.
- Zoete Ermgaard.
- Zoete Pippeling.
|
|
Boomvorm:
Steile kroon. Voor de boomgaard aan te bevelen omdat ze fraaie bomen vormen. |
Onderstam:
Uitsluitend hoogstam. Goed te veredelen op sterk groeiende onderstammen. |
Weerstandsvermogen:
Goede gezonde boom. |
Standplaats:
Klei en rivierklei. Op de meer betere en zwaardere gronden. Bellefleuren werden meer in het midden en zuiden van het land geteeld, maar ook in het noorden van Nederland komen we regelmatig Bellefleuren tegen. |
Teeltwaarde:
Valt wat tegen in vergelijking met het mooie uiterlijk. Matige handappel. De zeer goede bewaarbaarheid en transporteigenschappen moeten de matige smaak goed maken. |
Gelijkende vruchten:
Diverse Bellefleuren. |
| Snoeien: |
Oorzaak van verdwijnen:
De combinatie van een mooi uiterlijk en een slechte kwaliteit is bedrieglijk voor de consument en heeft het ras niet erg geliefd gemaakt. Men gaf de voorkeur aan de Brabantse Bellefleur. Ook de beurtjaar gevoeligheid werkt in zijn nadeel. Door de ongeschiktheid van Koningszuur voor intensieve beplantingen is het ras met de hoogstam verdwenen. |
Plantadvies:
Liefhebberssoort, meer pomologisch of landschappelijk interessant. |
Diversen:
Matige vitamine C gehalte. |
Brongegevens:
- Verdwenen appel- en perenrassen.
- Oude Fruitrassen in Noord Nederland.
- 6e beschrijvende Rassenlijst voor Fruit. (1948)
- Nederlandse Fruitsoorten. (1942)
- Aanvullende info Bongerd Groote Veen.
|