Bijzondere fruitsoorten.

DE MISPEL

De mispel heeft nooit de populariteit van zijn 4 grote neven (appel, peer, pruim en kers) gehad en dat blijkt ook uit de bestaande literatuur. In heel de ooftkundige bibliotheek van de NBS zit er welgeteld één werkje dat specifiek over deze vruchtboom handelt. Dit is “Le néflier et les cognas-siers gros fruits” door V.A. Evreinoff.

Nochtans zijn de vruchten zeer geschikt voor allerlei bereidingen en bovendien is de mispelboom erg decoratief. Met zijn grote, donkergroene bladeren en zijn mooie witte bloesems misstaat hij in geen enkele tuin.

Redenen genoeg voor Pomologia om deze vrucht eens in de kijker te plaatsen. Wij doen dit in twee delen. In dit nummer beschrijven wij de kenmerken van boom en vrucht. In een volgend nummer zullen wij aandacht besteden aan de teelt en verzorging van de mispelboom.

Benaming en herkomst
De Mispel (Néflier (Fr), Mispel (D), Medlar (S),) is in tegenstelling met wat zijn Latijnse naam Mespilus germanica L.) laat vermoeden niet afkomstig uit onze streken. De mispel groeit als inheemse plant in de loofbossen in Klein-Azië, Noord Iran en de Kaukasus.

De mispelboom werd reeds vroeg in kultuur genomen. De Griek Theophrastos (4e eeuw voor onze tijdrekening) onderscheidde al drie rassen. Ook de Romeinen kweekten de mispel in hun boomgaarden en lusttuinen. Getuige hiervan zijn beschrijvingen van Plinius en Columella (1e eeuw voor onze tijdrekening).

Rond de eeuwwisseling was de mispel erg populair in de Balkanlanden, Turkije en Engeland. In Hongarije werd er zelfs een brandewijn uit gedestilleerd.

Echt populair is de mispel nooit geworden in ons land. Toch kwam de boom vroeger op heel wat boerenerven voor, Vandaag treffen wij hem echter maar zelden meer aan.

Botanische gegevens
Samen met o.a. de appel, peer, lijsterbes, kwee en de meidoorn maakt de mispel deel uit van de familie der Malceae (appelachtigen) uit de orde der Rosales. Van uitzicht is de mispelaar een kleine boom of een struik met bochtige takken. Doorgaans draagt het hout geen doornen. Toch zijn de korte vruchtloten bij jonge bomen wel eens gedoornd. De jonge takken zijn behaard maar later worden zij glad. Bij de oudere mispelboom gaat de schors afschilferen.

De bladeren zijn langwerpig tot lancetvormig, 7 tot 12 cm. lang en 4 tot 5 cm. breed. Bovenaan is de bladrand fijn gezaagd. De bladsteel (5 tot 7 cm lang) is donzig behaard. Ook de bladeren zijn viltig langs onder. De ogen zijn gepunt en wollig behaard.

De alleenstaande bloemen zijn eindstandig ingeplant op de kortloten. De kroonbladen worden vrij groot en zijn wit (soms roze). De kelkbladen zijn lancetvormig en ongeveer evenlang als de kroonbladen. De 30 tot 40 meeldraden dragen roodachtige helmknoppen. De bloeitijd valt in mei.

 

De lichtbehaarde, bruingekleurde vruchten zijn licht afgeplat. Er is een opvallende inzinking die afgeboord wordt door de aanblijvende kelkslippen. Het vruchtvlees bevat doorgaans vijf hoekige en roodachtige zaden. Wilde mispelvruchten worden ongeveer 3 cm. groot. Kultuurvariëteiten bereiken makkelijk de dubbele omvang.

Kultuurvariëteiten
Van de mispel worden hoofdzakelijk twee variëteiten verbouwd, nl. de gewone en deze met grote vruchten. Daarnaast zijn een hele reeks variëteiten gekend. Evreinoff somt 12 rassen op:

  • de Hollandse, de Nottingham,
  • de Royal,
  • de pitloze,
  • de Geant,
  • de ménage,
  • de Hongaarse,
  • de Turkse,
  • de Krim mispel,
  • de Kaukasus mispel,
  • de mispel met witgevlekte bladeren
  • en met geelgevlekte bladeren (A feuilles panachées argentées et dorées)

Misschien bezit één van onze lezers wel één van bovenstaande variëteiten, het zou ons erg interesseren indien hij ons een seintje gaf. Pomologische beschrijvingen van mispelvariëteiten zullen in een der volgende nummers van ons tijdschrift zeker aan bod komen.

Oogst en verbruik
Mispels vers van de boom geplukt zijn totaal ongenietbaar. Het vruchtvlees is wit, hard en wrang van de tanine (looistoffen). Pas nadat de vruchten beurs (sommigen zeggen “rot”) geworden zijn, worden zij smakelijk. De oogst verloopt daarom als volgt. Men plukt slechts eind oktober, begin november na één of twee nachten lichte rijm. Lichte nachtvorst verzacht het vruchtvlees reeds in enige mate. Dan spreidt men de vruchten in een vorstvrije ruimte uit op stro en men wacht tot de vruchten beurs zijn. Langzaam wordt het vruchtvlees dan bruin, suikerrijk, ietwat zurig en aangenaam van smaak.

Enige gegevens betreffende aanwezige stoffen in de mispel (in vergelijking met de appel en de peer).
Peer:
suiker: 105 gram per liter sap.
tanine: 1,6 gram per liter sap.
pectine: 2 gram per liter sap.
Appel:
suiker: 120 gram per liter sap.
tanine: 2.1 gram per liter sap.
pectine: 3.2 gram per liter sap.
Mispel:
suiker:110 gram per liter sap.
tanine: 7 gram per liter sap.
pectine: 9 gram per liter sap.

Mispels bewaren niet erg lang; 1 à 1½ maand. In de keuken worden de mispels op verschillende manieren verwerkt. Men kan er confituur van maken (men neemt in gewicht evenveel suiker als vruchtvlees). Gezien het hoge gehalte pectine is een geleermiddel overbodig. Confijten is eveneens mogelijk: de vruchten enkele dagen achter elkaar in een steeds hogere suikerconcentratie op koken. Pasteuriseren is een andere mogelijkheid. De mispels worden in Weckbokalen gestapeld (nadat zij geschild zijn, en nadat de pitten verwijderd zijn), overgoten met een suikerstroop van 40 gr./ltr. water. Men sluit de bokalen af en pasteuriseert. Evreinoff geeft ook een recept om eau de vie te stoken. Helaas... wij willen geen moeilijkheden met dienst der accijnzen. De mispel is tevens een geschikte vrucht voor het bereiden van een goede tafelwijn, dat mag gelukkig wel van onze wetgever.

(Art. van de NBS)

nieuwsbrief nr.1 1989
nieuwsbrief no.1, blz. 4 + 5