Het zaaien
van fruitbomen biedt verrassende mogelijkheden. De natuur wordt gekenmerkt door
een eindeloze variatie, waarvan het grootste deel weliswaar heel gewoon is, maar
ook daar kunnen we een nuttig gebruik van maken.
Neem bijvoorbeeld de perzik, die behoorlijk zaadvast is, d.w.z. dat de gezaaide
nakomeling niet veel afwijken van de moederboom. Zonder al te veel inspanning
kan men omgeënte bomen bekomen, die veel sterker zijn dan de geënte
expemplaren en al binnen vijf jaar goede vruchten geven.
En als u later in het seizoen gaat zaaien, neem dan meteen wat rozenpitten mee,
of pitten van de jeneverbes, taxus, beukenoten etc.
Hoe nu te werk gaan?
U haalt de pitten uit de vruchten en verwijdert alle vruchtvlees om schimmelvorming
e.d. te voorkomen. De pitten worden nog eens gewassen en niet aan uitdroging blootgesteld.
Zij worden nu vermengd met scherpzand en in bloempotten van aardewerk gedaan.
Vergeet niet om een scherf op de bodem te leggen. Hierdoor bereiken we een goede
ontwatering en een steriel milieu. Vorstvrij begraven op een diepte van ca. 30cm.
op een beschut plekje en door de winterkou wordt nu de kiemrust opgeheven.
In maart van het volgend
jaar graaft u de potten weer op, heel wat pitjes zijn aan het ontkiemen. Mochten
de hazelnoten nog geen teken van leven vertonen, dan stopt u ze nog een jaar extra
in de grond.
De kiemende pitten worden zorgvuldig gezaaid in niet te zwaar bemeste humusrijke
grond op een plaats waar ze beschermd zijn tegen strenge vorst, slagregens en
een al te uitdrogende zon.
U kunt een en ander wat beschermen met een dun laagje licht opgestrooid beukeblad
of wat losse dennetakken.
Uw boompjes banen zich beslist een weg naar net licht!
U zult niet ontkomen aan
selektie. Ook al laat u de hele generatie opgroeien, u kunt niet alle boompjes
groot laten worden omdat de beschikbare ruimte nu eenmaal beperkt is. Een keuze
tussen bomen waarvan we fruit willen kweken en die welke we als onderstam gebruiken
om bestaande fruitrassen op te enten, is onvermijdelijk.
Welke zijn de selektiekriteria? Daarover beslist u in feite zelf, uw keuze voor
een bepaald type boom is bepalend. Selekteer bij appels in ieder geval op bomen
met diepgroen blad, ze zijn minder gevoelig voor ziekten en plagen.
Een boom draagt vrucht bij ‘t bereiken van een bepaalde stamdikte, dus: hoe sterker
de groei, hoe eerder vruchtbaar. Bomen met een late bladuitloop zullen ook later
bloeien. Zij zullen dus geen zomerappels voortbrengen en de bloesem zal nauwelijks
te lijden hebben van vorstschade.
Uw keuze voor een bepaald
type boom kunt u al beïnvloeden bij de keuze voor het zaad van een bepaald fruitras.
Dit soort factoren is namelijk redelijk overerfbaar. U kiest bv. voor de Sterappel,
dan krijgt u heel waarschijnlijk een boompje dat niet sterk groeit en er dus lang
over doet om volwassen te worden, laat in het voorjaar bloeit en een bewaarappeltje
produceert. Het kan zijn dat u daar twaalf jaar op hebt moeten wachten. Hoe meer
u snoeit (en dus kracht aan de boom ontneemt) en hoe meer groeiconcurrentie u
toelaat van andere planten, hoe langer de jeugdfase duurt en u dus nog niet kunt
gaan oogsten. Kiest u voor een vlugge vroege appel, dan kunnen de eerste vruchten
al na een jaar of zes oogsten, bij optimale verzorging natuurlijk.
Niet alle liefhebbers hebben
zoveel geduld, al is de groei naar naar volwassenheid ook bij een fruitboom een
mooi proces om gade te slaan en te beïvloeden. Een goed alternatief is, om
de zaailing te enten op een zwakke, snelle onderstam en de wachttijd kan zowat
worden gehalveerd. En als u tenslotte trots een naam aan het te bedenken bent
voor uw eigen fruitras, overweeg dan wat J.H.Langerak uit Leyden daar in 1721
over rijmde:
Door Sorg
en Vlijt
is met ter tijd
uyt korrel of pit
te winnen het wit
van vrugten onbekend
te benoemen, die 't zend.
Piet van der
Schoof.
|