Van
de populairste appel van dit moment, de Golden Delicious, wordt jaarlijks een
hoeveelheid van 2,5 miljoen ton geproduceerd in Europa. Net als alle appelrassen
is Golden Delicious een kruisingsprodukt. Zo nu en dan ontstaat door kruising
toevallig een geslaagde combinatie van erfelijke eigenschappen. Een speld in een
hooiberg, want tussen duizenden jonge appelboompjes moet een kweker maar net die
toevalstreffer weten te ontdekken. In 1890 had een Amerikaanse kweker dat geluk,
toen hij een Grimes Golden kruiste met een Reinette Dorée. Uit de duizenden zaailingen
koos hij het appelboompje waaruit alle Golden Delicious zouden ontspruiten. Letterlijk
dus een gouden greep.
De appel is gedurende z’n
lange geschiedenis al onderwerp van veredeling geweest. Door elke keer weer de
beste bomen uit te kiezen en die te kruisen, ontstaan steeds betere rassen. Bij
de selectie wordt vooral gelet op opbrengst, vorsttolerantie, resistentie tegen
ziekten en schadelijke insecten en natuurlijk op de kwaliteit van de vruchten.
Een ras met goede eigenschappen wordt vermeerderd door te stekken en vervolgens
te enten. Bij het enten laat de kweker een twijg, de ent, vergroeien met een onderstam.
Onderstam en ent groeien dan als één boom verder. De onderstam heeft grote invloed
op het groeien en bloeien van de ent. Bij voorkeur gebruikt men onderstammen die
heel langzaam groeien. Een dergelijke onderstam remt ook de groei van de ent.
Er ontstaat daardoor een klein, slank, weinig vertakt boompje dat door de kwekers
spil genoemd wordt. Om
de gewenste onderstammen te krijgen, worden sommige rassen speciaal veredeld op
de kwaliteiten van hun stam. Daarbij spelen natuurlijk heel andere eigenschappen
een rol dan bij de veredeling van de ent. Om zo snel mogelijk een nieuw appelras
te produceren, moeten enten en onderstammen snel vermeerderd kunnen worden. Hiervoor
wordt steeds meer gebruik gemaakt van moderne laboratoriumtechnieken. In een laboratorium
kunnen in korte tijd enorme hoeveelheden stekjes gemaakt worden met behulp van
de ‘in vitro cultuur’ oftewel de ‘reageerbuismethode’. In een reageerbuis kan
een piepklein stukje appelboom op een speciale voedingsbodem in een maand tijd
wel 10 nieuwe scheutjes vormen. Deze nieuwe techniek zal zeker grote invloed krijgen
op de snelheid waarmee nieuwe rassen gekweekt kunnen worden. Het groeien van appels
aan spillen heeft het grote voordeel dat ze gemakkelijker geplukt kunnen worden
dan in een hoogstamboomgaard. Bovendien groeien appels aan een spil allemaal op
vrijwel gelijke afstand van de stam. Daardoor krijgen alle vruchten bijna dezelfde
hoeveelheid water, voedingsstoffen en ook zonlicht en zijn ze gelijktijdig plukrijp.
De schriele spillen zijn naar verhouding zwaar beladen met appels. Om te voorkomen
dat ze onder die last bezwijken, moeten ze met palen ondersteund worden. In een
spillenboomgaard kunnen wel 3000 boompjes per hectare groeien. |

Ze moeten wel erg vakkundig
gesnoeid worden, wat een tijdrovende bezigheid is. Er wordt naarstig gezocht naar
mogelijkheden om de groei te sturen met groeiregulatoren, een soort plantenhormonen.
Het snoeien zou daardoor aanzienlijk beperkt kunnen worden. Groeiregulatoren worden
al gebruikt hij de zogenaamde vruchtdunning. Vruchtdunning betekent een vermindering
van het aantal vruchten per tros. Er ontstaan dan grotere, mooiere en ook smakelijker
appels. Bovendien kunnen de bomen daardoor elk jaar even productief zijn, hetgeen
bij de hoogstammen niet altijd het geval is. Als de appels rijp zijn, kunnen ze
geplukt worden. Niet te laat, omdat ze dan melig worden en ook niet te vroeg,
omdat ze dan nog niet op smaak zijn. Het is voor het moment van plukken van belang
of de appel voor directe consumptie bestemd is of dat hij voor langere tijd opgeslagen
moet worden. Tegenwoordig zijn appels het hele jaar door verkrijgbaar.
De Romeinen hadden al speciale
methodes om appels te bewaren. Ze legden ze in hopen op stro, op donkere, tochtvrije
plaatsen of stopten ze in grote kleikruiken met een deksel van gips. Tegenwoordig
gebruikt men C.A.-cellen. C.A. staat voor ’controlled atmosphere’. In deze cellen
zijn vochtigheid en koolzuurgehalte hoog, terwijl zuurstofgehalte en temperatuur
laag worden gehouden. Appels kunnen zo gemakkelijk een halfjaar bewaard blijven,
al leent het ene ras zich er beter voor dan het andere. Vooral de Goudreinet,
de Lombarts Calville en de Winston zijn goede bewaarappels. Uit het voorafgaande blijkt
dat in de fruitteelt het laatste woord over de appel nog lang niet gesproken is.
De moderne technieken doen in toenemende mate hun intrede in de boomgaarden. In
Engeland wordt nu zelfs al geëxperimenteerd met appelbomen waarbij de appels direct
aan de stam groeien. Van al deze kennis over de boom der kennis kunnen we in de
toekomst nog heel wat vruchten plukken.
Drs. W. Landman
|