Op
dit moment bestaan er minstens 5.000 appelrassen. De appel heeft dan ook een lange
cultuurgeschiedenis achter de rug. Bij prehistorische nederzettingen van paalwoningen
van zo’n 6000 jaar oud in Italië, Zwitserland en Oostenrijk zijn verkoolde resten
van gedroogde appeltjes gevonden. Dat het hier niet gewoon maar om wilde appeltjes
gaat, blijkt uit het feit dat er duidelijk twee types ' fossiele' appeltjes werden
aangetroffen, die in vorm en afmetingen duidelijk van elkaar verschillen. Er is
dus ook toen al vermoedelijk van veredeling sprake geweest. Alle appels stammen
af van wilde appels, die in enkele soorten over de gematigde klimaatzones van
de hele wereld voorkomen. De wilde appel van Europa is Malus sylvestris, die ook
nu nog op enkele plaatsen in Nederland te vinden is. De vruchten van de wilde
boom zijn niet veel groter dan een kers en smaken wrang en zuur. In Griekenland
kwamen al een paar duizend jaar voor onze jaartelling fruittuinen voor. Homerus
roemt in zijn beroemde Odyssee de appelboom als de boom met de mooiste vruchten.
Aan Demeter, de godin van de landbouw, werden daarom de zo gewaardeerde appels
geofferd om verzekerd te zijn van een goede oogst. De Grieken kenden al diverse
rassen die ze omschreven als de zoete, de zure, de vroege en de late appel. Ze
beheersten ook de voor de veredeling zo belangrijke techniek van het enten.

De Romeinen hebben de appelcultuur
over de rest van Europa verspreid. Ze maakten daarbij gebruik van Griekse slaven
die de veredelingstechnieken beheersten. Plinius de Oude, die leefde van 23 -
79 na Christus, beschreef in zijn boek ‘Historia Naturalis’ al meer dan 30 appelrassen.
Uit die tijd stammen ook publicaties over bemesting, veredeling en methodes om
appels te bewaren.

|

In de middeleeuwen hielden
vooral monniken zich bezig met de appelteelt. Zij kenden Latijn en konden daarom
hun kennis uit Romeinse geschriften halen. Moestuinen, kruidentuinen en boomgaarden
bevonden zich toen bij uitsluitend binnen veilig ommuurde kloosters en kastelen.
Deze appels werden echter voor eigen gebruik geteeld en ze werden voornamelijk
verwerkt tot cider en appelmoes. Pas later verschenen er boomgaarden bij boerderijen
en kon ook de burgerij voorzien worden van toen zeer prijzige vruchten. Al snel
werd de handel in fruit bepaald door gilden van ‘appelcopers’ en ‘fruyteniers’.
Van verdere veredeling was nog geen sprake of men moet de poging om zoete appels
te kweken door de stam in te smeren met geitedrek en urine als zodanig bestempelen.
Pas de laatste honderd jaar wordt de appelteelt op grote schaal bedreven, mede
door de opkomst van de industrie die appels verwerkt tot cider, appelmoes en appelstroop.
Steeds meer ging men gericht zoeken naar nieuwe rassen met een betere smaak, andere
kleur, grotere stevigheid, langere houdbaarheid enzovoort. In de 19e eeuw bestonden
er al 600 appelrassen. De appel is sterk aan mode onderhevig. De Sterappel en
de Jonathan verdwenen bijna helemaal van het toneel, vooral door de komst van
de Golden Delicious. Die wordt nu op zijn beurt weer bedreigd door nieuwere rassen
als Gloster, Elstar, Jonagold en Karmijn de Sonnaville.
In de toekomst zal de consument
ongetwijfeld te maken krijgen met nog weer andere appelrassen. |