Pruim en peer, ooit opgepot, glorie van weleer.

Stelt u zich eens voor; een pruimeboompje van nog geen halve meter hoog, keurig in een sierpot van Delftsblauw aardewerk opgepot, de aarde afgestrooid met fijn wit grind. Stelt u zich eens voor dat dat boompje, niet groter dan een kamerplant, vol beladen is met gave blauwe pruimen. Zou dat geen lust voor het oog zijn? Weinigen onder de lezers zullen dit ooit echt aanschouwd hebben. Toch kwam deze vorm van fruitteelt-in-miniatuur vroeger veelvuldig voor. Het telen van kleine vruchtdragende boompjes in pot, vooral pruim, perzik, peer en abrikoos, was ongeveer een eeuw geleden zelfs een grote rage. Toen het nog moest komen, in de zestiger jaren van de vorige eeuw, klonk een optimistische verwachting zo:

‘Deze lieve kleine boompjens zullen eene gansche omwenteling in onze nageregten te weeg brengen, want binnen kort zal het wansmaak zijn nog in schotels perziken en abrikozen op te disschen. Bij middel der nijping (kort en herhaald) kunnen deze boomen, niet tegenstaande hunne kleine gestalte, zòò vruchtbaar gemaakt worden, men kan ze in zulke kleine potten kweeken, dat niets zal beletten bij het bord van iederen genoodigden een abrikoos- of perzikboom te plaatsen, nauw 25 à 30 centimeters hoog en gemiddeld met 3 à 5 vruchten beladen. En de potten een weinig versierd zijnde, kan er wel iets lievers worden uitgedacht?’

Het klinkt alsof de schrijver met iets nieuws komt; maar zal het idee om met fruit beladen boompjes op tafel te zetten misschien niet net zo oud zijn als de geschiedenis van de tafel zelf? Met de komst van de oranjerie en de kas kwamen ook de exotische planten in sierpotten. Er zal allicht eens een ananas of oranjeboompje op tafel verschenen zijn. Dit artikel wil echter het telen van inheems fruit in potten aansnijden.

Korte geschiedenis
De geschiedenis is nauw verbonden met de ontwikkeling van de oranjerie. Het simpele voordeel van een fruitboom in een pot is dat hij verplaatsbaar is, waarmee hij net als de oranjeboompjes op een warmer plekje gezet kan worden als het buiten te koud is. Dit is de essentie en de enige reden dat men er ooit aan is begonnen. De opgepotte bomen kon men een ‘vervroegd voorjaar’ achter de ramen van de oranjerie door laten maken. De vruchtzetting en rijping werden vervroegd, zodat men fruit kon eten (en zijn gasten ermee verbazen!) op een moment dat dit eigenlijk, normaal gesproken, nog niet mogelijk was. Vanzelfsprekend konden tuinhazen hier ware staaltjes van hovenierskunst laten zien, ter meerdere eer en glorie van hun werkgevers en daarmee van zichzelf. De Duitser Diel, schrijver van vele boeken over fruitteelt, naar wie een peer ‘Beurré Diel’ vernoemd is schreef waarschijnlijk als eerste in Europa een systematisch werk over de ambachtelijke kunst van het fruittelen achter glas. Het verscheen in 1796 en beleefde diverse drukken. In Engeland kwam in 1861 het boek The Orchard House uit. In de ruim zestig jaar verstreken sinds Diel's boek, was er heel wat veranderd. The Orchard House was geschreven door Thomas Rivers, een in zijn tijd bekende ‘kweeker en fruitkundige’. Het boek behandelt uitvoerig de behoorlijk arbeidsintensieve techniek van het telen van fruit achter glas. Vooral in Engeland had de groeiende industrie en nijverheid een welgestelde en op meer comfort en weelde beluste stedelijke bevolking voortgebracht. Daarnaast zorgde het toenemend aantal spoorlijnen voor een efficiëntie in transport die ongekend was. Fruit kon, op dezelfde dag dat het geplukt was, al in de stad te koop worden aangeboden, vers van de boom. Op het platteland waren de lonen nog laag en een ‘kapitalist’, zoals een ondernemer toen nog heette, kon goed verdienen met het telen van vervroegd fruit. Het commerciële belang van de vervroegde teelt, het "trekker", was niet gering. In Nederland werd voor vroege perziken in 1885 al 90 cent tot F1,20 per stuk betaald.

Stukjes in de Gardener’s Chronicle, het veel gelezen Engelse tuinbouwperiodiek, maken duidelijk dat naast de bedrijfsmatige teler het liefhebber/amateur publiek zeker niet ongevoelig was voor de uitdaging, de oogst zoveel mogelijk te vervroegen. Het werk van Rivers werd een stuwende kracht achter de snel toenemende populariteit bij amateurs van de fruitboomteelt in pot. In onze streken was de commerciële fruitteelt in die tijd duidelijk minder ontwikkeld dan in het buitenland, iets waarover in vakkringen bezorgdheid bestond. Pomologen en andere geleerden op fruitgebied deden veel aan praktijkonderzoek en spanden zich in, bezield door de vooruitgangsidealen van koopman-koning Willem 1, om telers en kwekers beter voor te lichten. Het telen van fruit in potten werd daarom ook als middel gezien om tot betere rassen en betere methodes te komen. Het boek van Rivers trok wat dat betreft de aandacht van de Belg Ed. Pynaert.
Hij was "Hof-bouwkundige. Leeraar in Staats-Hovingbouwschool van Gentbrugge bij Gent", en hij zag de educatieve werking van de bomen in potten goed in:

‘Het is inderdaad een zeer gemakkelijk middel om op korten tijd, in het kennen der fruiten, zeer ervaren te worden: het vergelijken der verschillende soorten naar somtijds moeijelijk te vatten teekens, zooals het opzicht, biedt op deze wijze veel minder moeijelijkheden aan, dan wanneer de planten, in kweekerijen - soms op groote afstanden - verspreid zijn. Men moet zich natuurlijk zelf met zijne kleineverzameling bezig houden, en haar zelf de zorgen toedienen die zij vereischt, zelf planten, snoeijen, nijpen, gieten - dit alles zonder het behulp van hoveniers - die overigens de tegenwoordige kweekwijze nog niet kennen; en zoo doende, leert men gemakkelijk de meest altijd onbeduidende en vreemde namen der variëteiten kennen, en men maakt zich een veel duidelijker en stipter denkbeeld van de verschillige karakters, die de vruchten in de onderscheidene tijdstippen van hunne vorming, aanbieden.’

Met deze overwegingen wist Pynaert het bestuur van de Hovingbouwschool te bewegen de fruitboomteelt in potten als lesonderdeel in te voeren. Ook liet wetenschappelijk onderzoek was gebaat bij de kweek in potten. Bij het systematische veredelingswerk was het makkelijker om gecontroleerde kruisbestuivingen uit te voeren, om hiermee de ouders van zaailingen te leren kennen. Bemestingsproeven werden al spoedig op bomen in pot uitgevoerd. De teelt van fruitbomen in potten vroeg behalve veel werk en groene vingers eigenlijk weinig investeringen. Bovendien droegen de boompjes vaak al vanaf het eerstejaar. De belangstelling van de amateur/liefhebber was er dan ook van het begin af aan. Met de toename van vroeg fruit, geďmporteerd uit Zuid-Europa, nam het commerciële belang af en werd het zelfs bij uitstek een liefliebbersbezigheid.

En alhoewel het de sport was om vroeg te kunnen oogsten, werd er ook veel aandacht aan de vorm van het boompje besteed. Laat oogsten, perziken eind oktober bijvoorbeeld, kon ook een oogmerk zijn en het aantal, of gewicht van de vruchten kon zelfs aanleiding geven voor een ingezonden brief naar een tuinbouwblad. Afbeelding laat een Reine Claude in pot zien, volgens de bijgaande beschrijving, ‘met niet minder dan 74 goed ontwikkelde pruimen beladen’. Men proeft de trots die er uit deze woorden spreekt. Werd er voor de commerciële teelt gebruik gemaakt van gestookte trekkassen (het telen van vroege vruchten stond voorop) de particulier kon in zijn serre of met een broeibak, toch ook bijzondere resultaten behalen. Voor de Eerste Wereldoorlog verschenen er in ons land diverse handleidingen voor de amateur, die de teelt op een uitvoerige manier beschreven. Vaak ging het om vertalingen uit het Engels of Duits.

De teelt
In dit korte bestek is het niet verstandig om een handleiding te geven voor de teelt van fruitbomen in potten. Maar een bespreking van een aantal grondbeginselen is toch op zijn plaats. Het principe van de fruitteelt in pot is de vruchtbaarheid zozeer te vergroten, dat het boompje al bloeit en vrucht draagt hoewel het niet ouder is dan een jaar of twee, en niet groter dan anderhalve meter. Daartoe wordt de groei vertraagd, door snoeien van wortels en van twijgjes. zodat er veel bloemknoppen gevormd worden. Een jonge boom in de volle grond zal vooral een spreidend wortelgestel ontwikkelen dat veel voeding en water aanvoert om de stam omhoog te laten schieten, zodat zich snel een boom vormt. Bij de wortelsnoei van de boom in pot gaat het er vooral om, een dicht net van fijne haarwortels te krijgen en de gestelwortelgroei te onderdrukken. Met de haarwortels kan de boom vanuit de pot goed alle voedingsstoffen opnemen. zonder dat er een sterke groeibevorderende sapstroom ontstaat. Zo heeft ook het ‘snoeien van de bovengrondse delen - immers bedoeld om de groei te remmen een veel directer effect. Fysiologisch gesproken gaat het boompje in de pot zich door de snoei gedragen als een twijg aan de rand van de kroon van een oudere boom: ze maakt bloemknoppen en zet vrucht. Veel is er dus gewonnen wanneer men zich beperkt tot zwakgroeiende soorten en wanneer het boompje op een zwakgroeiende onderstam geënt is. De snoei aan stammetje en twijgen kan gericht zijn op het maken van een mooi kroontje, bij peren kan bijvoorbeeld gemakkelijk een piramidevorm bereikt worden, bij de perzik is de waaiervorm meer vanzelfsprekend. Maar bovenal wordt gesnoeid om kortlot, het vruchtdragend hout, te verkrijgen. Meest effectief is het ‘nijpen’, dat is het met de nagel van de duim wegnemen van de sappige langloten voor ze verhouten. Het nijpen gebeurt in de zomer, waarbij men de top van het langlot wegneemt, een aantal bladeren blijven zitten; soms loopt een scheut nog eens uit waarna hij een tweede maal genepen wordt. In de oksels van de bladeren die zijn blijven zitten vormen zich de knoppen voor de verdere vertwijging. Door het nijpen rijpen de ingekorte twijgjes in de zomer beter af, ze krijgen sterker hout. Het nijpen maakt de kroon compacter, betekent een vermeerdering van twijgjes die vrucht gaan dragen, en het vertraagt de groei. ‘s Winters wordt vooral de vorm bijgesnoeid. Een te sterk groeiende topscheut wordt soms helemaal weggesnoeid. Sterk omhoog groeiende zijtakken terugsnoeien, bevordert de groei meer dan dat ze die verzwakt, dergelijke takken worden ook helemaal weggenomen. Verder wordt op licht en lucht gesnoeid, er wordt uitgedund. De teeltcyclus begint met het oppotten van de boompjes in de herfst. Een goede, vette grond is van belang, evenals een ruime, maar niet te grote pot. De wortels worden gesnoeid. Potbomen van voorgaande jaren kunnen eventueel alleen een nieuwe bovengrond krijgen. De potten zijn twintig tot veertig centimeter in doorsnede, afhankelijk van grootte en leeftijd van het boompje. Tot november wordt er gegoten met water om wille van de laatste wortelgroei. Dan gaan de potten naar hun winterverblijfplaats; er wordt geen water meer gegeven. Hier staan de potten dicht opeen te wachten tot ze de glazen kas in kunnen. Voor het vervroegen in een verwarmbare kas kan men, afhankelijk van de soort, ergens midden in de winter de planten naar de kas brengen en beginnen met het verwarmen van de ruimte waar ze staan, tot zo rond 10ºC.; er wordt gesproeid met voorgewarmd water en zoveel mogelijk gelucht. Zodra de bomen in bloei komen wordt er kunstmatig met een penseeltje bestoven. Zodra de vruchtjes gaan zwellen wordt de temperatuur opgevoerd tot ca 15 graden of meer. In de koude kas moet men er vooral voor waken dat de kluit in de pot niet bevriest, hetzelfde geldt voor bloemknoppen en bloesem.

Ook moeten er niet al te grote temperatuur- schommelingen ontstaan. Soms is bijverwarmen nodig, vaak ook luchten om te warme lucht af te voeren. Voor het laatste afrijpen der vruchten gaan de bomen in juni of juli naar buiten, waarbij de potten ingegraven worden. De oogst is verbazingwekkend rijk voor zulke kleine boompjes. Met de perfectionering van ons veiling- en distributiebedrijf kregen we mango’s en kiwi’s, peren uit Argentinië, midden in de winter op tafel. Er is geen economische drijfveer voor de arbeidsintensieve teelt van fruit in potten meer. Maar als liefliebbersbezigheid is het misschien toch jammer dat het verdwenen is. Wie het eens proberen wil, kan zijn toevlucht nemen tot het boekje "Fruitbomen in Potten" van Terra. Wie enig begrip van fruittelen heeft, is beter af met een van de oude handboeken. Daarin wordt in ieder geval ook de techniek van het vervroegen in kas of broeibak behandeld, hetgeen ontbreekt in het Terra boekje.

nieuwsbrief nr.5 1990
nieuwsbrief no.5,
blz. 14 - 16