Van appelpit tot appelboom.

De gecultiveerde appel, Malus pumila, behoort net als de peer tot de familie van de roosachtigen. Appelbomen gedijen vooral goed op voedselrijke zand-, klei- en veengronden waar de grondwaterstand vrij constant is. In Nederland is dit vooral in de Betuwe en in Zeeland het geval.

Langs bermen treffen we wel eens appelbomen aan die ontstaan zijn uit pitten van een weggeworpen klokhuis. Zo’n boom heeft heel andere eigenschappen dan die van het ras waarvan de pitten afkomstig zijn. Daarom worden in de fruitteelt appels vermeerderd door stekken en enten.

Enten betekent dat op een onderstam een tak of twijg van het gewenste ras aangebracht wordt. Twijg en onderstam groeien dan samen uit tot één plant. Appelbomen kunnen zes tot negen meter hoog worden. Bij de groei maken ze eerst een jeugdfase door van enkele jaren. Pas na die jeugdfase gaat de appelboom bloeien. De bloemen van een appelboom zijn tweeslachtig. In elke bloem zitten zowel mannelijke meeldraden als een vrouwelijke stamper. Voor de bestuiving is het nodig, dat het stuifmeel van de meeldraden op de stamper terechtkomt. Dat stuifmeeltransport gebeurt meestal door bijen, soms door andere insecten of door de wind. De bloemen van veel appelrassen kunnen alleen bestoven worden met stuifmeel van een ander ras. Maar er zijn ook rassen die elkaar niet kunnen bestuiven. Het stuifmeel van het ene ras heeft dan geen vruchtvorming bij het andere ras tot gevolg, zoals bijvoorbeeld bij een Winston en een Jonagold het geval is. Na de bestuiving groeit de bloembodem uit tot appel. In de loop van de groei van de appel zwellen de cellen van het vruchtvlees steeds verderop door opslag van suikers, zetmeel, zuren en water.

In de laatste fase van de groei vindt er een stijging van het suikergehalte en een afname van het zuurgehalte plaats en krijgt de schil z’n kleurtje. Een lage nachttemperatuur en veel zon bevorderen het rijpingsproces. Als de appel op smaak en kleur gekomen is, kan hij geplukt worden. De meeste appels laat men narijpen in een bewaarcel of thuis op de fruitschaal. Maar niet altijd gaat alles van een leien dakje. Er zijn veel gevaren die een appel bedreigen, zoals allerlei soorten virussen, bacteriën en schimmels. Ook allerlei insecten kunnen plagen in de boomgaard vormen. Veel van die insecten ontlenen er zelfs hun namen aan: de appelmot, de appelzaagwesp, de appelbloesemkever om er maar een paar te noemen.

De meeste van deze plagen werden bestreden met breedwerkende insecticiden, die niet alleen de schadelijke insecten doodden, maar ook de nuttige, zoals de onmisbare bijen of insecten die juist die ‘plaag’ insecten opaten. Daarom gebruikt men tegenwoordig bijna uitsluitend middelen die alleen het ‘plaag’ insect om zeep helpen.

De appelboomgaard

De ouderwetse hoogstamboomgaarden waren echte blikvangers. Vooral in mei, als de meeste appelbomen in volle bloei stonden. Bustochtjes naar de Betuwe waren zeer in trek. Men genoot van de aanblik van de zacht in de wind wiegende rose-witte bloesems. Helaas behoort dit karakteristieke beeld in het Nederlandse cultuurlandschap bijna helemaal tot het verleden. Die ouderwetse boomgaarden voldeden niet aan de eisen van de beroepsfruitteelt en moesten daarom wijken.

De appels die nu in de handel komen, zijn bijna allemaal afkomstig van intensief beheerde boomgaarden met zogenaamde spillen. Spillen zijn kleine appelboompjes die niet hoger worden dan zo’n 2½ mtr. en die al na twee tot drie jaar vrucht dragen. Bij de hoogstambomen is dit pas na 10 tot 15 jaar het geval. De spillen produceren niet alleen eerder, maar bovendien ook veel meer appels per hectare. Tussen 1950 en 1980 is meer dan 20.000 hectare boomgaard gerooid. Echte hoogstamboomgaarden zijn zeldzaam geworden. Dat is jammer en niet alleen uit landschappelijk oogpunt. Die traditionele boomgaarden bevatten een grote variatie aan rassen. De erfelijke eigenschappen van die rassen zouden in de toekomst wel eens van belang kunnen zijn als uitgangsmateriaal voor nieuwe appelrassen, die de concurrentiepositie van de Nederlandse fruitteelt zouden kunnen verbeteren. Ook voor veel dieren en planten heeft de aanleg van moderne spillenboomgaarden gevolgen gehad. De vegetatie is er meestal soortenarm. Struiken als meidoorn, sleedoorn en haagbeuk, die vroeger gebruikt werden als perceelscheiding en veekering, ontbreken er. Ook de speciale ondergroei van de hoogstamboomgaard waarop veelal vee geweid werd, is verdwenen. Men trof er planten aan die bestand waren tegen bemesten, betreden en maaien, zoals beemdgras, grote vossestaart, smalle weegbree en paardebloem. Onder de spillen krijgt de grasmat al helemaal geen kans om zich te vormen. Enerzijds omdat de bomen veel zonlicht wegvangen, anderzijds omdat de groei van onkruid met bestrijdingsmiddelen wordt tegengegaan. De ouderwetse boomgaarden waren paradijsjes voor allerlei insecten, die op hun beurt weer een overvloedige voedselbron vormden voor tal van zoogdieren zoals spitsmuizen, egels, mollen en vleermuizen. Ook bosmuizen, veldmuizen, hazen, bunzingen en dassen konden er hun kostje bij elkaar scharrelen. Maar vooral vogels vonden in de hoogstamboomgaarden veel van hun gading.

Een inventarisatie leverde een lijst van maar liefst 42 soorten broedvogels op. Al die kleinere diersoorten trokken op hun beurt weer roofvogels aan zoals buizerden, steenuilen, ransuilen en torenvalken. Gelukkig zijn er hier en daar nog wat hoogstambomen bewaard gebleven, zowel op sommige moderne fruitteeltbedrijven als op een enkel boerenerf.

nieuwsbrief nr.5 1990
nieuwsbrief no.5,
blz. 8 + 9