DE
ABRIKOOS (PRUNUS ARMENIACA).
De Abrikoos is herkomstig
uit West-Azië. Vandaar werd zij in Griekenland en Epirus ingevoerd, vanwaar de
Romeinen haar naar Italië overbrachten. Daar bleef zij echter tot kort na Christus
geboorte altijd nog een vrij zeldzame vrucht, die goed werd betaald. Zoodra ze
echter meer verspreid was geworden, plantten haar de Romeinen ook in Spanje en
in Frankrijk. Of wij ze nu uit Frankrijk of uit Italië hebben gekregen, is niet
met zekerheid te zeggen, te meer niet, omdat ze in beide genoemde landen den naam
,,Abricot” draagt. Ook weten we niet, wanneer ze ons bereikte, maar zooveel is
zeker, dat ze reeds in de middeleeuwen overal bekend was. De Abrikoos behoort,
wat de bouw harer bloesems en vruchten betreft, tot het pruimengeslacht, maar
vormt toch een bijzonder soort, dat zich in menig opzicht van de pruimen onderscheidt,
maar heel veel met den perzik overeenkomt.
De boom is betrekkelijk klein, daar hij maar zelden hooger wordt dan 25 voet.
Als hoogstam wordt hij slechts weinig bij ons gezien. Men beweert echter, dat
de vruchten van een hoogstam veel sappiger zijn dan die van leiboomen. Ook heeft
een hoogstam-abrikoos minder van de vorst te lijden dan een leiboom, omdat een
hoogstam veel later bloeit.
Toch ziet men bij ons te
lande de Abrikoos veel meer als spalier of leiboom tegen muren en schuttingen
aangeplant en treft men maar zelden hoogstammen er van aan. De
spalier of leiboom, op het Buiten "De Poll"te Voorst, beslaat een muuroppervlakte van 60 M2. Wellicht is het de
grootste Abrikozenboom in Nederland. De gladde kurkachtige zwartgrijze stam houdt
zich veel langer goed dan een pruimenstam, die reeds spoedig vol met barsten komt.
De kroontakken nemen een groote vlucht en breken veel eerder dan pruimetakken.
Vandaar dat men geen abrikozenboom op open plekken moet planten, waar zij veel
van stormen zouden te lijden hebben.
De knoppen zitten op zulk
eene wijze aan het vruchthout, dat twee vruchtdragende knoppen gewoonlijk bij
elkaar zitten, terwijl zich daartusschen in een bladknop bevindt, dus evenzoo
als bij de perziken. De bladeren zijn evenals bij pruimen vòòr hare
ontwikkeling builvormig opgerold. Zoodra deze zich geheel ontwikkeld hebben, gelijken
ze echter hoegenaamd niet op pruimenbladeren. De bladvlakken hebben eene hartvormige
gestalte, ze loopen tegen den bladsteel en aan de spits puntig toe, ze zijn onbehaard
en hare gladde oppervlakte is fraai donker glanzend groen, terwijl de bladranden
dubbel gezaagd zijn. De lange bladstelen zijn, ook weer evenals bij perziken,
van klieren voorzien, waardoor de zomerscheuten min of meer intensief rood worden
gekleurd. Ook hierin komen abrikozenboomen met perzikboomen overeen, dat de bloesems
zich steeds vòòr de bladeren ontwikkelen, zoodat beide boomen gelijktijdig bloeien.
Bij ons bloeien ze gewoonlijk begin April, in zuidelijker streken echter reeds
in Maart. De bloesems staan afzonderlijk en met hun tweeën bij elkaar en zijn
zeer kort gesteeld, bijna zittend. De kelk is van buiten rood, van binnen groenachtig.
Zoodra zich de bloesems ontwikkelen, buigen zich de kelkslippen terug naar de
kelkbuis. De witte, roodgepunte bloesembladeren zitten met een korte punt aan
den bovensten rand van de bekervormige kelkbuis. De vruchten zijn kogelrond of
eenigszins platgedrukt of ook wel min of meer langwerpig, en hare huid voelt fiuweelachtig
aan. De vruchtsteenen zijn plat, langwerpig rond en glad. De breede kant heeft
twee diepe voren, die tusschen twee scherpe verhoogingen liggen. De tegenovergestelde
kant is minder soherp en vertoont bovenaan een kleine spits.
De Abrikoos die uit warme
landen afkomstig is, is veel gevoeliger dan andere steenvruchten, maar men kan
haar veel, minder gevoelig maken, wanneer men haar niet op abrikoos-wildelingen
maar op wildelingen van pruimen veredelt. Forsche wildelingen van kwetsen of van
andere pruimsoorten. die 5 tot 6 voet hoog moeten zijn, zijn uitstekend geschikt
om er abrikozen op te oculeeren. Deze op het slapend oog te oculeeren is wel het
meest aanbevelenswaardig en men doet het best die oogen te nemen die zich in den
zelfden zomer gevormd hebben.
Men plant een abrikozenboom
het best op een rabat in den tuin of op een andere geschikte plaats en houdt secuur
rekening met ligging en grondsoort, omdat het daar vooral op aankomt, wil men
van een goeden groei verzekerd zijn.
De grond waarin men hem
plant moet gemakkelijk te verwarmen zijn en tot op 3 voet diepte uit kruimaarde
bestaan, die droog maar noch te arm, noch te vet mag zijn. In alle geile- of te
leemrijke grond heeft de boom spoedig last van gomziekte, eene ziekte waarvan
de abrikoos dikwijls heeft te lijden. Evenzeer zou versche mest, waarmede men
een mageren grond zou willen verbeteren, zeer nadeelig werken. In zulk een geval
bedient men zich van compost bij gebrek daaraan van ouden verteerden koemest.
Beide mestsoorten strooit men op de aardoppervlakte en laat het aan den regen
over deze te ontloogen. Overigens houdt de Abrikoos van een kleiachtigen en vooral
kalkachtigen bodem. Waar deze dus niet aanwezig is, zorge men voor aanvoer van
klei en van kalkpuin.
Wat nu de beste ligging
betreft, moet deze van dien aard zijn, dat de geplante Abrikoos voldoende beschut
wordt door gebouwen of hooge boomen tegen noordelijke, noordwestelijke en noordoostelijke
winden, waardoor een bevriezen der zich zoo vroegtijdig openende bloesems voorkomen
wordt. Ook is het van veel belang voor den abrikozenboom, wanneer op eenigen afstand
staande boomen tijdens den bloei de morgenzon tegenhouden, opdat de bloesems zich
niet al te vroeg openen. Bij eene meer open ligging is het raadzaam ze ook aan
den westkant te beschutten opdat een westelijke stormwind ze geen kwaad kan doen.
Waar abrikozen op een rabat zijn aangeplant, mogen op zulk een rabat geen andere
gewassen gecultiveerd worden, daar deze hun het voedsel zouden onttrekken. in
weerwil daarvan is de teelt van Abrikozen veel onzekerder dan die van pruimen;
toch worden ze in streken met een niet al te ruw klimaat vrij talrijk geteeld.
In ons land ziet men ze slechts hier en daar, doch lang niet overall en dat is
zeker wel te wijten aan de vele zorg die men er aan besteden moet, om er een redelijke
oogst van te kunnen verwachten.
In een koud voorjaar gaan
dikwijls oude boomen te gronde die men dan weer door jonge moet aanvullen en niet
zelden komt het voor, dat de geheele oogst mislukt. Daar echter, waar de teelt
van abrikozen slaagt, kan deze wegens de in den regel hooge prijzen der vruchten
zeer winstgevend zijn. Voor de tafel mag de abrikoos een eerste klasse vrucht
genoemd worden, en ook op zeer verschillende wijze ingemaakt, is deze buitengewoon
smakelijk, terwijl ook gedroogde abrikozen overheerlijk zijn.
Waar de vorst in het vroege
voorjaar minder streng regeert, is de teelt ook minder twijfelachtig. In een Duitsch
werk lezen wij dat in het jaar 1871 door een lang aanhoudende vorst in Thüringen
alle aanplantingen van Abrikozen totaal vernietigd werden, en dat in Jena alleen
168 boomen bevroren zijn. Zulke gevallen zijn echter zeldzaam, zoo zeldzaam dat
er verscheidene jaren kunnen verloopen voordat zoo iets weer zou plaats hebben.
Van de Abrikoos bestaan,
bij andere vruchten vergeleken, slechts weinig variëteiten, die alle door zaaiïng
uit de gewone Abrikoos ontstaan moeten zijn. Dat dit zoo is, is echter niet met
volle zekerheid te zeggen, wel echter dat wildelingen, gekweekt uit pitten, lang
niet altijd fraaie vruchten voortbrengen. Toch komt het ook voor, dat deze vruchten
opleveren, die door afwijking van de oorspronkelijke soort als nieuwe vormen in
aanmerking komen. Voor het kweeken van zulke nieuwe vormen is de wildeling van
de Bredasche Abrikoos wel het meest geschikt. Men kan alle variëteiten in
twee groepen verdeelen en wel in een groep met bittere pitten en in een groep
met zoete pitten. Tot de eerste groep behoort de gewone Abrikoos. die begin of
half Angustus rijp is. Daarvan zijn de vruchten gewoonlijk 2 cm. lang en breed,
kogelrond van vorm en door een diepe voor in twee ongelijke helften gedeeld. De
kleur der schil is fraai donkergeel, aan de zonkant rood, dikwijls ook aan den
rand van roode stipjes en puntjes voorzien. Het roodachtig gele vruchtvleesch
is vast, sappig, zoet en aromatisch, echter minder lekker dan dat van de nieuwere
soorten, maar goed van den steen loslatend. Dientengevolge is de teelt er van
wel aanbevelenswaardig, al is de smaak dan ook minder fijn en al wordt de vrucht
wel eens wat melig: Dat melig worden kan men meestal voorkomen, wanneer men de
vruchten bijtijds afplukt, zoodra ze aan den steel week worden, maar overigens
nog hard zijn. Men plaatst ze dan om na te kunnen rijpen op een koele plaats,
waardoor men niet alleen het melig worden voorkomt, maar ook den smaak verbetert.
Men plukt de Abrikozen het best.in de morgenuren, zoodra de dauw er af is, omdat
later op den dag geplukte Abrikozen, naar men beweert, lang niet zoo lekker zijn.
Tot de tweede groep behoort
de Breda'sche Abrikoos, die half of einde Augustus rijp is. Daarvan is de - vrucht
vrij groot en- de schil zuiver geel, maar aan de zonkant ook van puntjes en vlekjes
voorzien, die gedeeltelijk in elkaar loopen en rood van kleur zijn. Het roodgele
vruchtvleesch is hard; erg sappig en heeft een zeer zoeten aangenamen smaak, die
aan Ananas doet denken. Ze wordt niet melig, maar toch is het raadzaam, ze in
de morgennren te plukken. De boom wordt niet hoog maar is zeer vruchtbaar. Deze
soort wordt ook vooral gebruikt om ze te confijten. De voor ons klimaat meest
aan te bevelen soort is de Oranje- Abrikoos, die half Augustus rijp wordt en waarvan
de vruchten middelmatig groot worden, terwijl de boom een beste groeier is. Van
en met Abrikozen zijn ook heel wat toespijzen te bereiden de eene nog smakelijker
dan de andere.
Apeldoorn.
R. TEPE. |