|
Het woord ‘meersoortenboom’ klinkt ongewoon en nieuw. Toch is het geen nieuwe
vorm van telen want iedere met diverse soorten geënte boom is een meersoortenboom
en daarvan staan er al duizenden in de tuinen. Voor peren was het al in de 19e
eeuw vanzelfsprekend dat de bomen meerdan één soort vruchten droegen
want de pereliefhebbers wilden graag de aanbevolen soorten zelf proeven. OBERDIECK
noemde daarom zulke bomen Proef bomen.
Een andere reden voor het kweken van meersoortenbomen lag in de opeenvolgende
tijdstippen van rijpheid die toen in zekere zin de plaats innam van de huidige
koelopslag. Voor eigen gebruik en voor de amateurtuinders kon slechts een beperkt
aantal gevarieerde soorten gebruikt worden, ondanks de destijds veelvuldige manieren
van verwerken: drogen, compote en tot het zogenaamde 'Birnekraut', een geleiachtig
donker broodbeleg, gemaakt van ingedikt peresap (wij zouden zeggen perestroop),
jam enz..
In feite waren er honderd en meer jaren geleden dezelfde problemen als tegenwoordig
met de zomer- en herfstperen: er was een te groot aanbod in een korte tijdspanne
ze werden bovendien al te vlug beurs. Er werd gepoogd een oplossing te vinden,
niet vanwege het plezier aan experimenteren, maar op grond van economische overwegingen,
door meerdere soorten op één boom te veredelen met als natuurlijk
resultaat de meersoortenboom. Deze vorm van pereteelt werd later door de totaal
anders gerichte manier van kweken door grote telers, die gericht waren op handelsproduktie,
in een kwaad daglicht gesteld en zelfs bij wijze van spreken verdoemd.
In het midden van de 19e eeuw ontwikkelde zich in België en Nederland
een ander denkpatroon ten opzichte van handelsproduktie, onder invloed van het
schijnbaar ideale voorbeeld van andere landen. De appel werd een marktbeheersende
handelsvrucht. De beter bewaarbare appelen verdrongen de teelt van peren als suikerdragende
vrucht naar een mindere plaats. De gerechtvaardigde zelfstandigheid en de andere
gezichtspunten van de teelt voor eigen gebruik die zeker nog bestonden, gingen
ten onder in de veranderde eisen voor marktproduktie nl. minder, maar betere soorten.
Eigenlijk werden toen pas, toen de grote kwekerijen voor industriële produktie
ontstonden, de diverse eisen die aan beide wijzen van telen gesteld werden in
feite erkend en begrepen.
Wanneer derhalve tegenwoordig voor het telen van peren een meersoortenboom
als economisch zinvol wordt beschouwd, bedacht met het oog op onderstam, groei
en opbrengst van de soorten onderling en met soorten die elkaar in rijpheidsdatum
opvolgen, dan is dat een zakelijke en gerechtvaardigde eis voor een nieuwe vorm
van aanplant voor tuinen die voorzien in eigen gebruik. Dat de zo dicht op elkaar
staande bloeiende soorten daardoor in biologisch bevruchtingsoogpunt gunstig is
voor soorten, waarbij juist de bevruchting een moeilijk punt is, zoals bv. de
Doyenné du Comice, is een bijzonder prettige bijkomstigheid.
De praktische uitvoering en verzorging van de meersoortenboom moet even nader
toegelicht worden. De Franse boomkwekerij Georges Delbard werkt met 3-soortenbomen.
De amateurtuinder kan bv. een Précoce de Trévoux of een Beurré
Hardy kopen en die dan zelf na 2 of 3 jaar veredelen met de door hem gewenste
soorten. Als uitgangspunt kan ook de goed groeiende vorstbestendige Conseiller
de la Cour worden genomen, die zich tevens goed verdraagt met Kwee.
In alle landen van
Europa worden de in gebruik zijnde en bruikbare agrarische arealen van jaar tot
jaar kleiner. Voor wintersoorten kunnen standplaatsen gebruikt worden aan gebouwen,
of onbeschutte oost-, zuidoost-, zuid- en zuidwestzijden van boerderijen, verder
aan muren van flatgebouwen in tuinsteden, tuinhuisjes en vrijstaande huizen met
tuintjes, kortom aan alle muurvlakken waar een muurbeplanting mogelijk is. Hier
liggen nog heel veel onbenutte ‘luchthectaren’ braak. Druiven en peren lenen zich
bijzonder goed voor deze beplantingswijze. Beide verdragen, op enkele uitzonderingen
na, een sterke snoei die de groei in verhouding tot het beschikbare muuroppervlak
kan beperken. De warme, beschutte muren vormen een ideale, bijna schurftvrije
standplaats voor laat te oogsten winterperen.
Van september tot begin
november kan voor de boom als extra warmtebron kunststoffolie gespannen worden
die tevens bescherming biedt tegen het aanpikken van het fruit door vogels. Deze
‘muurfruitteelt’ is niet alleen geschikt voor de warme gebieden in het laagland,
maar ook voor hoger gelegen gebieden waar tot nu toe alleen alleenstaande bomen
met herfstsoorten geplant werden. De boomvormen kunnen spilvormen zijn op Kwee
of zaailing, geheel afhankelijk van de bodemgesteldheid en het beschikbare muuroppervlak,
met één hoofdtak en 2 zijdelingse gesteltakken. Aan een smalle hoge muur is alleen
een hoofdstam met vruchthout (snoervorm) voldoende. Peren zijn geschikt voor alle
vormen en alle snoeimethoden. Goed verzorgde spilvormen aan de muren waren vroeger
het visitekaartje van de bewoner. En dat zijn ze nog. Een dorpsstraat of een straat
in een nieuwbouwwijk of tuinstad waarbij de huizen aan de zuidzijde beplant zijn
met druiven of peren verfraaien het dorpsgezicht, huis en omgeving op een heel
eigen wijze.
Artikel van Herbert Petzold. |