"Meersoortenbomen".

Van de zomer- en vroege herfstperen moet een verbruiker geen soort langer dan 10-14 dagen eten om daarna een smaakafwisseling te hebben. Op die manier is ook een doorlopende pereconsumptie gegarandeerd, zonder dat er van één soort, in verband met het snelle bederf tot vervelens tot moet gegeten worden. Bovendien levert de tuin in augustus en september ook veel bessen en verse groenten zodat de maaltijden rijk voorzien zijn van vers fruit en rauwkost. Voor standplaatsen tot op 350 mtr. boven de zeespiegel worden hier nu 2 voorbeelden gegeven waaruit moge blijken dat met 2 bomen het hele gezin voorzien wordt van peren van eind juli (E 7) en begin augustus (B 8) tot aan februari/maart (2-3). Het eerste voorbeeld is voor algemeen gebruik, het tweede voor liefhebbers van bijzonder lekkere soorten.
Perenboom met vruchten van juli tot en met november, 1.
hoofdtak met: Précose de Trévoux E 7-E 8
gesteltak 1 met: Bon Chrétien Williams B/M - E 9
gesteltak 2 met: Louise Bonne d' Avranches 9-10
gesteltak 3 met: Conference 10- B11
Perenboom met vruchten van juli tot en met november, 2.
hoofdtak met: Précose de Trévoux E 7-E 8
gesteltak 1 met: Princesse Marianne 9-10
gesteltak 2 met: Louise Bonne d' Avranches 9-10
gesteltak 3 met: Conference 10- B11
gesteltak 4 met: Beurré Alexandre Lucas E10-12
Perenboom met vruchten van juli tot en met november, 3.
hoofdtak met: Doyenné du Comice 11
gesteltak 1 met: Beurré Giffard 7-8
gesteltak 2 met: Robert de Neufville E 8-M 9
gesteltak 3 met: Seigneur Esperen 9-10
Perenboom met vruchten van november tot en met februari, 1.
hoofdtak met: Doyenné du Comice 11
gesteltak 1 met: Jeanne d' Arc 12
gesteltak 2 met: Président Drouard 1
gesteltak 3 met: Joséphine de Malines 2-3
Perenboom met vruchten van november tot en met februari, 2.
hoofdtak met: Jeanne d' Arc 12
gesteltak 1 met: Suprême Coloma 10-1
gesteltak 2 met: Bonne de Malines 11-1
gesteltak 3 met: Joséphine de Malines 2-3

Het woord ‘meersoortenboom’ klinkt ongewoon en nieuw. Toch is het geen nieuwe vorm van telen want iedere met diverse soorten geënte boom is een meersoortenboom en daarvan staan er al duizenden in de tuinen. Voor peren was het al in de 19e eeuw vanzelfsprekend dat de bomen meerdan één soort vruchten droegen want de pereliefhebbers wilden graag de aanbevolen soorten zelf proeven. OBERDIECK noemde daarom zulke bomen Proef bomen.

Een andere reden voor het kweken van meersoortenbomen lag in de opeenvolgende tijdstippen van rijpheid die toen in zekere zin de plaats innam van de huidige koelopslag. Voor eigen gebruik en voor de amateurtuinders kon slechts een beperkt aantal gevarieerde soorten gebruikt worden, ondanks de destijds veelvuldige manieren van verwerken: drogen, compote en tot het zogenaamde 'Birnekraut', een geleiachtig donker broodbeleg, gemaakt van ingedikt peresap (wij zouden zeggen perestroop), jam enz..
In feite waren er honderd en meer jaren geleden dezelfde problemen als tegenwoordig met de zomer- en herfstperen: er was een te groot aanbod in een korte tijdspanne ze werden bovendien al te vlug beurs. Er werd gepoogd een oplossing te vinden, niet vanwege het plezier aan experimenteren, maar op grond van economische overwegingen, door meerdere soorten op één boom te veredelen met als natuurlijk resultaat de meersoortenboom. Deze vorm van pereteelt werd later door de totaal anders gerichte manier van kweken door grote telers, die gericht waren op handelsproduktie, in een kwaad daglicht gesteld en zelfs bij wijze van spreken verdoemd.

In het midden van de 19e eeuw ontwikkelde zich in België en Nederland een ander denkpatroon ten opzichte van handelsproduktie, onder invloed van het schijnbaar ideale voorbeeld van andere landen. De appel werd een marktbeheersende handelsvrucht. De beter bewaarbare appelen verdrongen de teelt van peren als suikerdragende vrucht naar een mindere plaats. De gerechtvaardigde zelfstandigheid en de andere gezichtspunten van de teelt voor eigen gebruik die zeker nog bestonden, gingen ten onder in de veranderde eisen voor marktproduktie nl. minder, maar betere soorten. Eigenlijk werden toen pas, toen de grote kwekerijen voor industriële produktie ontstonden, de diverse eisen die aan beide wijzen van telen gesteld werden in feite erkend en begrepen.

Wanneer derhalve tegenwoordig voor het telen van peren een meersoortenboom als economisch zinvol wordt beschouwd, bedacht met het oog op onderstam, groei en opbrengst van de soorten onderling en met soorten die elkaar in rijpheidsdatum opvolgen, dan is dat een zakelijke en gerechtvaardigde eis voor een nieuwe vorm van aanplant voor tuinen die voorzien in eigen gebruik. Dat de zo dicht op elkaar staande bloeiende soorten daardoor in biologisch bevruchtingsoogpunt gunstig is voor soorten, waarbij juist de bevruchting een moeilijk punt is, zoals bv. de Doyenné du Comice, is een bijzonder prettige bijkomstigheid.

De praktische uitvoering en verzorging van de meersoortenboom moet even nader toegelicht worden. De Franse boomkwekerij Georges Delbard werkt met 3-soortenbomen. De amateurtuinder kan bv. een Précoce de Trévoux of een Beurré Hardy kopen en die dan zelf na 2 of 3 jaar veredelen met de door hem gewenste soorten. Als uitgangspunt kan ook de goed groeiende vorstbestendige Conseiller de la Cour worden genomen, die zich tevens goed verdraagt met Kwee.

In alle landen van Europa worden de in gebruik zijnde en bruikbare agrarische arealen van jaar tot jaar kleiner. Voor wintersoorten kunnen standplaatsen gebruikt worden aan gebouwen, of onbeschutte oost-, zuidoost-, zuid- en zuidwestzijden van boerderijen, verder aan muren van flatgebouwen in tuinsteden, tuinhuisjes en vrijstaande huizen met tuintjes, kortom aan alle muurvlakken waar een muurbeplanting mogelijk is. Hier liggen nog heel veel onbenutte ‘luchthectaren’ braak. Druiven en peren lenen zich bijzonder goed voor deze beplantingswijze. Beide verdragen, op enkele uitzonderingen na, een sterke snoei die de groei in verhouding tot het beschikbare muuroppervlak kan beperken. De warme, beschutte muren vormen een ideale, bijna schurftvrije standplaats voor laat te oogsten winterperen.

Van september tot begin november kan voor de boom als extra warmtebron kunststoffolie gespannen worden die tevens bescherming biedt tegen het aanpikken van het fruit door vogels. Deze ‘muurfruitteelt’ is niet alleen geschikt voor de warme gebieden in het laagland, maar ook voor hoger gelegen gebieden waar tot nu toe alleen alleenstaande bomen met herfstsoorten geplant werden. De boomvormen kunnen spilvormen zijn op Kwee of zaailing, geheel afhankelijk van de bodemgesteldheid en het beschikbare muuroppervlak, met één hoofdtak en 2 zijdelingse gesteltakken. Aan een smalle hoge muur is alleen een hoofdstam met vruchthout (snoervorm) voldoende. Peren zijn geschikt voor alle vormen en alle snoeimethoden. Goed verzorgde spilvormen aan de muren waren vroeger het visitekaartje van de bewoner. En dat zijn ze nog. Een dorpsstraat of een straat in een nieuwbouwwijk of tuinstad waarbij de huizen aan de zuidzijde beplant zijn met druiven of peren verfraaien het dorpsgezicht, huis en omgeving op een heel eigen wijze.

Artikel van Herbert Petzold.

nieuwsbrief nr.8 1991
nieuwsbrief no.8,
blz. 4 - 7
lees ook:
Peren