Als de
eerste gezonde appels of peren van de boom vallen is het tijd voor U om te gaan
oogsten. Men pakt de vruchten beet en brengt ze omhoog. Het breekpunt bevindt
zich nu tussen het einde van de steel en de tak van de boom. Op beiden is nu al
een kurklaag gevormd, om zich te beschermen tegen uitdrogen, infekties enz.
Men behandelt het fruit
zeer voorzichtig (als eieren) via de plukemmer en het voorzichtig overleggen in
de bewaarkist. Recht naar beneden trekken van de vruchten doet de steel meestal
inscheuren bij het vruchtvlees, met alle gevolgen van dien.
Laat men het fruit gewoon
naar beneden valllen, dan heeft dit fruit een valplek en is niet goed te bewaren.
Hoe lang men het fruit kan bewaren hangt o.a. af van het ras. Zomerrassen enige
dagen en bewaarrassen enige maanden. De lengte van de bewaring is dus een raseigenschap.
Wat voor ras U ook heeft, de vruchten zijn nog levend materiaal. Ze ademen dus
nog door de huidmondjes (lentiecellen) en ook hierdoor verliezen ze vocht. Vandaar
het slijtageproces tijdens de bewaring. Om dit tegen te gaan bewaart U zo koel
mogelijk, ideaal is +3 à 4 ºC. en in een hoge relatieve luchtvochtigheid
tegen het uitdrogen. Ideaal is hier ongeveer 90% R.L.V.. Dit ideaal is voor een
partikulier moeilijk haalbaar, maar men probeert zo dicht mogelijk in de buurt
van deze getallen te komen.
Veel succes
Cor Couvert. |